Uitspraak
200707198/1) brengt de enkele omstandigheid dat voor een bestemming geen nadere voorschriften in het bestemmingsplan zijn opgenomen, niet met zich dat het gebruik dat van gronden of de zich daarop bevindende opstallen wordt gemaakt, niet aan die bestemming kan worden getoetst. Uit artikel 4, onder A, van de planvoorschriften blijkt, nu dit artikel specifiek betrekking heeft op woningen en daarvoor bebouwingsvoorschriften bevat, dat de planwetgever de bedoeling heeft gehad dat de gronden gebruikt dienen te worden voor woondoeleinden. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de gebruiksbepaling niet kan worden toegepast. Het betoog faalt dan ook.