ECLI:NL:RVS:2010:BO3469

Raad van State

Datum uitspraak
10 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201003067/1/H3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. Vlasblom
  • P.A. Offers
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot vervallenverklaring tenaamstelling voertuig

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond, die op 12 februari 2010 het beroep van [appellant] ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de afwijzing door de RDW van het verzoek van [appellant] om de tenaamstelling van zijn voertuig te laten vervallen. De RDW had op 12 mei 2009 het verzoek van [appellant] om de tenaamstelling te laten vervallen afgewezen, omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ten onrechte als eigenaar geregistreerd stond. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, wat leidde tot het hoger beroep bij de Raad van State.

[Appellant] stelde dat hij het voertuig had verkocht, maar nooit een vrijwaringsbewijs had ontvangen. Hij betoogde dat hij ten onrechte als eigenaar geregistreerd stond, omdat de nieuwe eigenaar, [nieuwe eigenaar/houder], misbruik had gemaakt van zijn beperkte verstandelijke vermogens. De RDW stelde echter dat [appellant] civielrechtelijke mogelijkheden had om de tenaamstelling te wijzigen en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om deze mogelijkheden te benutten.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had overwogen dat [appellant] niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich door [nieuwe eigenaar/houder] had laten overhalen om het voertuig op zijn naam te zetten. De RDW was niet verplicht om onderzoek te doen naar het door [appellant] gestelde misbruik van zijn vermogens. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

201003067/1/H3.
Datum uitspraak: 10 november 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 februari 2010 in zaak nr. 09/1253 in het geding tussen:
[appellant]
en
de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2009 heeft de RDW het verzoek van [appellant] van 16 april 2009 om de tenaamstelling voor het voertuig met kenteken [..-..-..] (hierna: het voertuig) te doen vervallen, afgewezen.
Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 april 2010.
De RDW heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.J. Lemmen, advocaat te Heythuysen, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover thans van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van het Kentekenreglement (hierna: het Kr) vervalt de tenaamstelling in het register zodra:
a. krachtens artikel 26, derde lid, een vrijwaringsbewijs en een nieuw deel I B zijn afgegeven;
[…]
l. de RDW de tenaamstelling vervallen heeft verklaard op grond van een verzoek als bedoeld in het tweede lid.
Ingevolge het tweede lid kan degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het register is vermeld, de RDW verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen. De RDW gaat over tot het doen vervallen van de tenaamstelling indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn.
2.2. [appellant] heeft bij brief van 16 april 2009 verzocht om vervallenverklaring van de tenaamstelling, omdat hij het voertuig heeft verkocht, maar nimmer een vrijwaringsbewijs heeft ontvangen.
Volgens [appellant] wil de nieuwe eigenaar/houder, het voertuig niet op de naam van [nieuwe eigenaar/houder] stellen, en wordt [appellant] als gevolg daarvan telkenmale ten onrechte geconfronteerd met boetes en kosten met betrekking tot het voertuig.
In beroep en hoger beroep heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat hij het voertuig niet heeft verkocht, maar dat hij door [nieuwe eigenaar/houder] ertoe is bewogen het voertuig op de naam van [appellant] te stellen, waarbij [nieuwe eigenaar/houder] misbruik heeft gemaakt van de beperkte verstandelijke vermogens van [appellant].
2.3. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit om de tenaamstelling niet te doen vervallen, heeft de RDW ten grondslag gelegd dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten onrechte als eigenaar/houder van het voertuig staat geregistreerd en dat de verplicht voorgeschreven procedures om tot vervallenverklaring dan wel wijziging van de tenaamstelling over te gaan niet meer kunnen worden gevolgd. Volgens de RDW kan [appellant] door middel van een civielrechtelijke procedure trachten om overschrijving op naam van [nieuwe eigenaar/houder] af te dwingen bij de kantonrechter, en heeft hij derhalve nog de mogelijkheid om de procedure vermeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van het Kr te volgen. Een verzoek als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van het Kr komt reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking, aldus de RDW.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de RDW zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hem, gelet op de gegeven feiten en omstandigheden, nog civielrechtelijke mogelijkheden ten dienste staan om een wijziging van de tenaamstelling van het voertuig te bewerkstelligen. Volgens [appellant] is hij daartoe gelet op zijn beperkte verstandelijke vermogens niet in staat. Het beschermingsbewind waaronder hij staat, is kennelijk niet afdoende, aldus [appellant]. Derhalve is het volgens hem noodzakelijk dat de RDW als overheidsorgaan mede zorg draagt voor de effectiviteit van de met het bewind beoogde bescherming, door het instellen van een onderzoek naar het gestelde misbruik en het doen vervallen van de tenaamstelling.
2.4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2009 in zaak nr.
200804162/1, terecht overwogen dat artikel 40, tweede lid, van het Kr ertoe strekt te voorzien in uitzonderingssituaties waarin het niet mogelijk is een van de in artikel 40, eerste lid, van het Kr vermelde procedures te volgen. Het is aan degene die een beroep doet op artikel 40, tweede lid, van het Kr om daarvoor dragende gronden aan te voeren en die aannemelijk te maken.
Uitgaande van zijn stelling dat hij het voertuig heeft verkocht aan [nieuwe eigenaar/houder], heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het in zijn geval niet mogelijk is om een wijziging dan wel vervallenverklaring van de tenaamstelling te bewerkstelligen op grond van artikel 40, eerste lid, van het Kr. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, staan hem daartoe - bij uitblijven van vrijwillige medewerking van [nieuwe eigenaar/houder] - civielrechtelijke mogelijkheden ten dienste. Voor zover [appellant] zelf niet in staat is deze mogelijkheden te benutten, kan hij daarvoor de hulp van een derde inroepen.
Uitgaande van zijn in beroep en hoger beroep ingenomen stelling dat hij het voertuig niet heeft verkocht aan [nieuwe eigenaar/houder], heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich door [nieuwe eigenaar/houder] heeft laten overhalen om het voertuig op zijn naam te zetten. Anders dan [appellant] betoogt, is het niet de taak van de RDW om actief onderzoek te doen naar het door hem gestelde misbruik van zijn beperkte verstandelijke vermogens.
Het betoog faalt.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010
419-611.