Uitspraak
200704844/1.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland verleende op 20 oktober 2009 een vergunning voor het veranderen van een inrichting waarbij het breken van puin voortaan ook op het buitenterrein mocht plaatsvinden. Tegen dit besluit stelden appellant en anderen beroep in bij de Raad van State. Zij voerden onder meer aan dat de onderliggende vergunning was vervallen en dat het akoestisch onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vergunning nog geldig was en dat het college terecht uitging van het breken van puin op het buitenterrein. Echter, het akoestisch onderzoek richtte zich slechts op enkele woningen en hield onvoldoende rekening met het feit dat de inrichting in een stiltegebied ligt. Het deskundigenbericht wees uit dat de geluidsbelasting in het stiltegebied veel hoger was dan door het college aangenomen, wat leidde tot een overschrijding van de richtwaarden zonder de vereiste bestuurlijke afweging.
Daarom concludeerde de Afdeling dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de relevante feiten, hetgeen in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit leidde tot vernietiging van het besluit. De overige beroepsgronden werden niet behandeld omdat het geluidsaspect doorslaggevend was. Het griffierecht werd aan appellant en anderen vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor het breken van puin op het buitenterrein is vernietigd vanwege onvoldoende geluidsonderzoek.