ECLI:NL:RVS:2010:BO3514
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoeging rechtsbijstand wegens vordering boven heffingvrij vermogen
Het bestuur trok op 21 januari 2009 de toevoeging voor rechtsbijstand aan appellant met terugwerkende kracht in, omdat appellant als resultaat van de echtscheidingsprocedure een vordering had die ten minste 50% van het heffingvrij vermogen bedroeg. Dit was gebaseerd op een vonnis van de rechtbank Almelo van 8 augustus 2007, waarbij de ex-echtgenote van appellant werd veroordeeld tot betaling van € 20.000.
Appellant voerde aan dat de zaak pas definitief was afgehandeld na de feitelijke verdeling van de huwelijksgemeenschap in september 2009 en dat de advocaat nog werkzaamheden verrichtte na het vonnis. De rechtbank oordeelde echter dat de definitieve afhandeling wordt bepaald op het moment van de uitkomst van de procedure, namelijk het vonnis van 8 augustus 2007.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en overweegt dat het moment van feitelijke verdeling en latere werkzaamheden niet bepalend zijn voor het vaststellen van het moment van definitieve afhandeling. Er waren geen zwaarwegende omstandigheden die een andere beoordeling rechtvaardigden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de toevoeging blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de toevoeging voor rechtsbijstand blijft in stand.