ECLI:NL:RVS:2010:BO3759
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie en belangenafweging
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de vreemdeling in vreemdelingenbewaring had gesteld. De vreemdeling was voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring in strafrechtelijke detentie geweest en vervolgens vrijgesproken. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende inlichtingen had verstrekt over de periode tussen strafrechtelijke vrijlating en vreemdelingenbewaring en dat de minister zijn inspanningsverplichting voor uitzetting had geschonden.
De rechtbank stelde dat de overige gronden voor bewaring, zoals het ontbreken van identiteitspapieren en vaste woonplaats, onvoldoende waren om de belangenafweging in het voordeel van de minister te doen uitvallen. De minister voerde aan dat de rechtbank onvoldoende terughoudend was en dat hij wel degelijk belangen had gesteld, onder meer over het niet meewerken van de vreemdeling aan zijn uitzetting.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht een belangenafweging heeft gemaakt nadat een gebrek in het voortraject was vastgesteld. De minister had niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht en de rechtbank mocht niet zonder meer aannemen dat de vreemdeling zonder titel was gedetineerd voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring. De verklaringen van de vreemdeling over zijn paspoort en zijn geldige Spaanse verblijfsvergunning maken het niet aannemelijk dat hij niet meewerkt aan uitzetting.
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd waarbij de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven.