Uitspraak
200906942/1, overwogen dat voor de toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro is vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende op 13 oktober 2009 aan de stichting Protestants Christelijk Onderwijs te Utrecht ontheffing en bouwvergunning voor twee tijdelijke noodlokalen op het schoolplein van de Maliebaanschool. Het besluit was gebaseerd op een tijdelijke behoefte tot 31 augustus 2011. Appellant stelde dat onvoldoende was verzekerd dat de noodlokalen tijdig zouden worden verwijderd en dat de financiering van de verbouwing van het schoolgebouw aan de Homeruslaan niet was gegarandeerd.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk voor zover het de aanvankelijke wettelijke grondslag betrof en ongegrond voor het overige. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het college onvoldoende concrete en objectieve gegevens had om de tijdelijkheid van de noodlokalen aannemelijk te maken. De toezegging van bestuursdwang bood onvoldoende waarborg dat de situatie tijdelijk zou zijn.
Daarnaast werden andere bezwaren van appellant, zoals geluidsoverlast en de uitbreiding van het schoolplein, door de Raad van State afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en de besluiten van het college wegens strijd met artikel 3:46 Awb Pro. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De besluiten van het college voor ontheffing en bouwvergunning voor de tijdelijke noodlokalen worden vernietigd wegens onvoldoende motivering over de tijdelijkheid.