Uitspraak
200900342/1/V6) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 15 december 2005, C-151/04 en C-152/04; Nadin en Durré, punt 31, (www.curia.europa.eu) onder verwijzing naar het arrest van 20 november 2001 in zaak nr. C-268/99, Jany e.a.; (www.curia.europa.eu) overwogen:
200905473/1/V6is het aan de minister om aan te tonen dat sprake is van een overtreding. De omstandigheid dat enkel een administratief onderzoek ten grondslag is gelegd aan het boeterapport, brengt niet met zich dat de minister niet heeft aangetoond dat [appellante] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de minister met het boeterapport voldoende heeft aangetoond dat de vreemdelingen de werkzaamheden als werknemers hebben verricht. De rechtbank is terecht eveneens tot dit oordeel gekomen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de boete in strijd met de onschuldpresumptie is opgelegd, dan wel dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd vanwege strijdigheid met het recht op een eerlijk proces.
201003587/1/V6, waarin de Afdeling heden uitspraak heeft gedaan. In die zaak heeft de minister, hangende het hoger beroep, voor drie van de vijf vreemdelingen ten aanzien van wie de minister in die zaak een boete had opgelegd, die boete ingetrokken omdat volgens de minister op basis van het boeterapport onvoldoende vast is komen te staan dat die drie vreemdelingen hun werkzaamheden niet als zelfstandigen hebben verricht. [appellante] betoogt dat aangezien zaak nr.
201003587/1/V6betrekking heeft op gedeeltelijk dezelfde vreemdelingen en in die zaak eveneens uitsluitend administratief onderzoek heeft plaatsgevonden, het feitencomplex, voor zover relevant, identiek is aan de onderhavige zaak, zodat de minister ook in deze zaak tot intrekking van de boete dient over te gaan.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
200704914/1) leidt de omstandigheid dat de werkgever zich voorafgaand aan de tewerkstelling van de vreemdelingen ervan heeft vergewist dat deze met eenmanszaken in het handelsregister stonden ingeschreven, op zich niet tot matiging van de opgelegde boete. Dat één van de vreemdelingen beschikte over een VAR-verklaring winst uit onderneming betekent, gelet op de omstandigheden weergegeven in 2.3.3., evenmin dat [appellante] gerechtvaardigd in de veronderstelling verkeerde dat tewerkstellingsvergunningen voor de vreemdelingen niet nodig waren. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond voor matiging van de opgelegde boete aanwezig geacht.