ECLI:NL:RVS:2010:BO5971
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatig onderscheid in verblijfsregeling voor asielzoekers vóór en na 1 april 2001
De vreemdeling stelde dat de Regeling onderscheid maakt tussen vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een asielaanvraag hebben ingediend en degenen die dat niet hebben gedaan, waardoor hij geen aanbod kreeg en zijn privéleven in Nederland niet kon uitoefenen. Dit onderscheid valt binnen de invloedssfeer van artikel 8 EVRM Pro en daarmee is artikel 14 EVRM Pro van toepassing. De rechtbank had dit niet erkend, maar de Afdeling oordeelde dat dit geen reden tot vernietiging van de uitspraak geeft.
De vreemdeling voerde aan dat het onderscheid in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro en dat het 'opvang-argument' niet slaagt. Hij stelde dat veel voormalige asielzoekers niet meer in opvang verblijven en dat de Regeling voortkomt uit de '14-1 regeling' die niet alleen voor voormalige asielzoekers was bedoeld. De Afdeling verwierp deze argumenten en bevestigde dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een aanvraag indienden en anderen.
De Afdeling concludeerde dat het onderscheid een objectieve en redelijke grond vormt en dat de schrijnendheid die leidde tot de Regeling niet betekent dat het onderscheid irrelevant is. De grieven faalden en het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.