Uitspraak
200800121/1heeft de Afdeling het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 8 november 2007 vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van het college van 15 maart 2007 vernietigd.
200606202/1), strekt artikel 8:26, eerste lid, van de Awb er niet toe dat een belanghebbende als partij kan worden toegelaten die zich niet eerder in de procedure heeft gemengd. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, geldt dit niet alleen voor degene die heeft nagelaten beroep in te stellen, maar ook voor degene die heeft nagelaten (tijdig) bezwaar te maken. Het college heeft bij besluit van 15 maart 2007 het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 7 november 2006 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het daartegen door [appellant sub 1] ingestelde beroep ongegrond verklaard en de Afdeling heeft bij uitspraak van 23 juli 2008 het door hem ingestelde hoger beroep gegrond verklaard. Het college diende als gevolg van die uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant sub 1]. Eerst daarna heeft [appellant sub 2] ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 november 2006, welk bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Nu [appellant sub 2] heeft nagelaten zich eerder in de procedure te mengen, heeft de rechtbank haar verzoek om toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb, op goede gronden afgewezen.
200802629/1, is in zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.6.1. vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten.
200803215/1) dient de rechtbank, in gevallen als deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, daarover op basis van de voormelde voor de behandeling van het bezwaar en het beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. In hoger beroep staat het oordeel van de rechtbank over de gestelde schending van de redelijke termijn ter beoordeling. Daarbij bestaat geen aanleiding voor compensatie van een ten tijde van de uitspraak van de rechtbank bestaande overschrijding van de redelijke termijn door een voortvarende behandeling van het hoger beroep door de Afdeling, nu de rechtbank over de behandeling van het bezwaar en beroep onafhankelijk van de behandelingsduur van een eventueel ingesteld hoger beroep binnen een redelijke termijn had te oordelen.