Uitspraak
20100247/1/H1), komt onder zulke omstandigheden aan het beroep op andere vrijstellingsmogelijkheden, wat daar verder van zij, geen zelfstandige betekenis toe.
Raad van State
Het college van Kaag en Braassem weigerde op 13 november 2007 aan appellant vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van twee aanlegsteigers bij recreatiewoningen te een plaats. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze weigering, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden dit ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college het bouwplan ten onrechte als stedenbouwkundig onaanvaardbaar had beoordeeld zonder deskundigenrapport en dat het college niet had onderzocht of vrijstelling op grond van andere artikelen van de WRO mogelijk was. Ook werd betoogd dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat elders een steiger was toegestaan.
De Raad van State oordeelde dat het college het oordeel over de stedenbouwkundige onaanvaardbaarheid voldoende had gemotiveerd met het belang van het openbare pad en het voorkomen van precedentwerking. Het beroep op andere vrijstellingsmogelijkheden faalde omdat het bouwplan onder artikel 19, derde lid, WRO viel. De situatie van de oudere steiger was niet vergelijkbaar vanwege gewijzigde planologische omstandigheden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van vrijstelling en bouwvergunning bevestigd.