ECLI:NL:RVS:2011:BP0945
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling onterecht geweigerd verblijfsvergunning op grond van burgemeestersverklaring
De vreemdeling had een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) aangevraagd, waarbij ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001 vereist is. De staatssecretaris weigerde dit omdat de vreemdeling in 2004 verklaarde sinds 1997 niet meer in Nederland te zijn geweest. Deze verklaring werd later ingetrokken en onjuist bevonden, mede door stempelkaarten die verblijf in 1998 en 1999 aantonen.
De rechtbank oordeelde echter dat de vreemdeling onvoldoende bewijs had geleverd voor ononderbroken verblijf, wat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onterecht vond. De Regeling stelt dat een burgemeestersverklaring voldoende is om verblijf aan te nemen, tenzij aantoonbaar vertrek na 1 april 2001 is vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het besluit van 28 april 2009 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het standpunt van de staatssecretaris dat de vreemdeling het verblijf moest bewijzen verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.