ECLI:NL:RVS:2011:BP1923
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.W.M. Bijloos
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting bij onduidelijke nationaliteit vreemdeling
De vreemdeling, die stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben, werd in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De minister stelde aanvankelijk dat de vreemdeling mogelijk naar Algerije of België kon worden uitgezet, maar wijzigde dit standpunt ter zitting, waarbij hij erkende dat een claim bij België niet mogelijk was en dat het zicht op uitzetting ontbrak. De minister voerde tevens aan dat de vreemdeling mogelijk de Marokkaanse nationaliteit bezit, maar had nog geen stappen ondernomen voor uitzetting naar Marokko.
De rechtbank had geoordeeld dat het zicht op uitzetting niet ontbrak, mede omdat de vreemdeling zijn verklaring over een verblijfsvergunning in België niet met documenten had onderbouwd. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank ten onrechte dit zicht op uitzetting aannam, omdat het niet mogelijk is de vreemdeling binnen redelijke termijn naar Algerije uit te zetten of aan België over te dragen.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de vreemdeling gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel werd opgeheven. De schadevergoeding werd op nihil gesteld vanwege de weigering van de vreemdeling om medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven omdat het zicht op uitzetting ontbreekt.