Uitspraak
201004686/1/H2ter zitting behandeld op 1 december 2010, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door R. van der Woude en J.J.M. Sjerps, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Raad van State
De raad van de gemeente Koggenland stelde op 12 oktober 2009 het bestemmingsplan "Fiets-voetpad Grosthuizen-Oudendijk" vast, dat voorziet in de aanleg van een fiets-/voetpad tussen Grosthuizen en Oudendijk. Appellante maakte bezwaar tegen het plan, onder meer vanwege onduidelijkheden over het principebesluit, de verbeelding, de hoorzitting, de noodzaak en financiële uitvoerbaarheid van het pad, de locatie van de aansluiting op de Dorpsweg, en de planregels.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestemmingsplan in algemene zin zorgvuldig was voorbereid en dat de raad een redelijke afweging had gemaakt over de noodzaak en locatie van het pad. De verkeersveiligheid en privacy werden voldoende gewaarborgd, mede door een verkeersadvies en toezeggingen van de raad. Wel werd geoordeeld dat de raad bij de planregels onterecht bevoegdheden had toegekend die in strijd zijn met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), namelijk artikel 3.4 onder b en artikel 6 onder Pro b.
Daarnaast was de planbegrenzing deels onzorgvuldig vastgesteld, doordat een deel van appellantes tuin onterecht in het plangebied was opgenomen. Dit deel moest worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit op deze punten vernietigd. De raad werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestemmingsplan wordt gedeeltelijk vernietigd wegens strijd met artikel 3.1 Wro en onzorgvuldige planbegrenzing; beroep deels gegrond.