ECLI:NL:RVS:2011:BP3662

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201012207/1/M1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • R. Teuben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.2 Wet milieubeheerArt. 10.37 Wet milieubeheerArt. 10.38 Wet milieubeheerArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking last onder dwangsom wegens overtreding Wet milieubeheer en proceskostenvergoeding

Het college van burgemeester en wethouders van Waterland legde aan verzoeker op 2 november 2010 meerdere lasten onder dwangsom op wegens overtreding van artikelen 10.2, 10.37 en 10.38 van de Wet milieubeheer. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening bij de Raad van State.

Tijdens de zitting op 24 januari 2011, waar beide partijen verschenen, bleek dat het college het bestreden besluit op 4 januari 2011 had ingetrokken. Het college stelde dat de overtreding van artikel 10.2 was beëindigd en dat eerdere uitspraken tot schorsing van vergelijkbare lasten onder dwangsom maakten dat de overige lasten niet in stand konden blijven. Er waren geen dwangsommen verbeurd.

Gezien de intrekking en het ontbreken van spoedeisend belang wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, omdat het college met de intrekking aan het bezwaar tegemoet was gekomen. Tevens werd het college verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

201012207/1/M1.
Datum uitspraak: 4 februari 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te Katwoude, gemeente Waterland, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Waterland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 november 2010 heeft het college aan [verzoeker] een aantal lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de artikelen 10.2, 10.37 en 10.38 van de Wet milieubeheer.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2010, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 januari 2011, waar [verzoeker], in persoon, bijgestaan door mr. L.M. van den Ende, advocaat te Purmerend, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. E. Houwertjes, werkzaam bij de Milieudienst Waterland, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij het bestreden besluit heeft het college drie lasten onder dwangsom opgelegd. Last 1 en 3 hebben betrekking op het overleggen van registratiebewijzen van de afgifte van afvalstoffen, afkomstig van binnen respectievelijk buiten de inrichting. Last 2 betreft het afvoeren van op de bodem gebrachte verbrande hooibalen, die volgens het college als afvalstof moeten worden aangemerkt.
Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college het bestreden besluit ingetrokken. Aan dat besluit heeft het college in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer is beëindigd, zodat last 2 van het bestreden besluit kan worden ingetrokken. Het college heeft voorts aanleiding gezien de lasten 1 en 3 van het bestreden besluit in te trekken, omdat volgens het college uit de uitspraak van de voorzitter van 29 december 2010 in zaak nr.
201010854/1/M1- waarbij de voorzitter een vergelijkbare last onder dwangsom die terzake van een andere overtreding aan [verzoeker] was opgelegd, heeft geschorst - volgt dat deze lasten niet in stand kunnen blijven.
2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voor de datum van de intrekking van het bestreden besluit geen dwangsommen zijn verbeurd. Nu het bestreden besluit is ingetrokken, is voorts uitgesloten dat alsnog dwangsommen zullen worden verbeurd. Gelet hierop bestaat geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.
2.3. Ten aanzien van het verzoek van [verzoeker] om het college in de proceskosten te veroordelen, overweegt de voorzitter het volgende.
Uit artikel 8:75, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de voorzitter het college in de proceskosten kan veroordelen. Hiervoor is niet vereist dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen. De voorzitter acht in dit geval een grond aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Voor zover het de lasten 1 en 3 betreft, is het college immers door de intrekking van het bestreden besluit aan het bezwaar tegemoetgekomen.
Het college dient derhalve op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
2.4. Op grond van het voorgaande ziet de voorzitter eveneens aanleiding om, met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat het betaalde griffierecht door het college dient te worden vergoed.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waterland tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Waterland aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.
w.g. Brink w.g. Teuben
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2011
483.