Uitspraak
200907637/1/H1. In die uitspraak is het hoger beroep van [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch tot ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit op bezwaar aangaande de weigering van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van de realisering van twee woningen ongegrond verklaard. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat [appellant sub 2] met zijn zienswijze tegen het ontwerp-plan in de onderhavige procedure beoogt dat hetzelfde bouwplan planologisch mogelijk wordt gemaakt, waarop het verzoek om vrijstelling betrekking had dat tot de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 heeft geleid. In die uitspraak heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, met de rechtbank geoordeeld dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat het perceel van [appellant sub 2] samen met de percelen Geeneind 14, 16 en 24 een cluster vormt van vier percelen, die wat de bebouwingsdichtheid en de situering van de bebouwing betreft afwijken van de andere percelen in de directe omgeving en dat de raad daarom in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen. De Afdeling stelt voorts vast dat de zienswijze in de onderhavige procedure en de thans aangevoerde beroepsgronden niet afwijken van de in de eerdere procedure aangevoerde gronden. Deze gronden zijn door de Afdeling beoordeeld en hebben niet geleid tot het slagen van het hoger beroep. Niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden ten tijde van het thans bestreden besluit in relevante mate zijn gewijzigd sinds het hiervoor bedoelde bij de rechtbank bestreden besluit. De Afdeling ziet om die reden dan ook geen aanleiding thans anders te oordelen over hetgeen door [appellant sub 2] is aangevoerd en de raad heeft bij de motivering van zijn beslissing om de door [appellant sub 2] gewenste bouwvlakken niet op te nemen, in redelijkheid betekenis kunnen toekennen aan de uitspraak van de Afdeling.