ECLI:NL:RVS:2011:BP5933
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inbewaringstelling vreemdeling ondanks mogelijke aanwijzingen mensenhandel
De vreemdeling werd op 3 december 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld op verdenking van diefstal. Tijdens verhoren verklaarde zij te zijn gesmokkeld door zogenaamde 'slangenkoppen' en mogelijk slachtoffer van mensenhandel. De vreemdeling betoogde dat de minister haar had moeten wijzen op de mogelijkheid tot aangifte en haar niet in bewaring had mogen stellen.
De rechtbank oordeelde dat de grondslag voor bewaring niet was komen te vervallen omdat de vreemdeling niet viel onder de categorieën die recht geven op een bedenktijd volgens de Vreemdelingencirculaire 2000. De vreemdeling had zich niet uit eigen beweging gemeld bij de politie en had tijdens haar asielprocedure geen aanwijzingen gegeven dat zij onder dwang naar Nederland was gekomen.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat de enkele mededeling dat de vreemdeling aangifte wilde doen niet voldoende is om de bewaring te beëindigen. Rechtmatig verblijf ontstaat pas nadat de Immigratie- en Naturalisatiedienst een aanvraag tot verblijfsvergunning op basis van aangifte heeft ingewilligd. De klacht dat de vreemdeling niet tijdig in de gelegenheid werd gesteld aangifte te doen, faalt eveneens. Het hoger beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdeling wordt bevestigd ondanks mogelijke aanwijzingen van mensenhandel.