Uitspraak
200602308/1).
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Ten Boer verleende op 4 augustus 2010 een milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij bij een bestaande melkrundveehouderij. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning, met name over de beoordeling van geur- en geluidhinder.
De Raad van State oordeelde dat het beroep van enkele appellanten niet-ontvankelijk was voor zover het betrekking had op geluid en geur, omdat zij geen zienswijze hadden ingebracht. De overige appellanten voerden aan dat de geurbelasting onjuist was berekend en dat de geluidgrenswaarden onvoldoende bescherming boden. De Raad stelde vast dat de geurbelasting juist was beoordeeld en dat de afstandscriteria en geurnormen waren nageleefd.
Ten aanzien van geluid stelde de Raad vast dat het college de geluidgrenswaarden terecht had gebaseerd op het Besluit landbouw milieubeheer, wat een hoger beschermingsniveau bood dan de Handreiking industrielawaai. Echter, het akoestisch rapport was onvolledig en onjuist gemodelleerd, met name ten aanzien van het aantal vervoersbewegingen en de afvoer van drijfmest. Hierdoor was niet zeker of aan de geluidgrenswaarden kon worden voldaan.
De Raad concludeerde dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid was voorbereid en vernietigde het besluit in zijn geheel. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot verlening van de milieuvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid bij de beoordeling van geluidhinder.