Uitspraak
200903784/1/R2is voor de toepassing van artikel 19f van de Nbw 1998 bij het nemen van een besluit op een vergunningaanvraag als de onderhavige, van belang dat het college kan beschikken over berekeningen op grond waarvan het kan vaststellen of de depositie van het bedrijf op de voor stikstof gevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden toeneemt ten opzichte van de op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer vergunde situatie voor de plaatsing van het gebied "Boetelerveld" op de lijst van gebieden van communautair belang en voor het van kracht worden van de aanwijzing van het gebied "Sallandse Heuvelrug" als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Het college heeft terecht gesteld dat uit de door [appellante] overgelegde berekeningen dit niet is af te leiden. Hierbij betrekt de Afdeling dat, naar ter zitting is vastgesteld, in de berekening van de vergunde situatie de dieraantallen zijn verwerkt zoals vergund bij besluit van 20 maart 1990. Hierbij is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat op grond van artikel 8.18 van de Wet milieubeheer een gedeelte van de vergunning is vervallen, te weten het vergunningdeel voor het houden van 2000 kalkoenen. Daar komt bij dat de mogelijk significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Sallandse Heuvelrug" in zijn geheel niet in de berekening zijn betrokken. Nu evenmin gegevens zijn overgelegd inzake de emissiepunten van de stallen ten opzichte van de vergunde situatie voor het van kracht worden van de aanwijzing van het gebied als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn en voor de plaatsing van het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang, heeft het college terecht [appellante] verzocht om een aanvulling van de aanvraag op dit punt. Immers op basis van uitsluitend de overgelegde gegevens en bescheiden is niet vast te stellen of de depositie in de aangevraagde situatie toeneemt. Voor zover [appellante] betoogt dat de overige door het college gevraagde gegevens en bescheiden niet nodig zijn voor de beoordeling dan wel dat het verzoek deze over te leggen te verstrekkend moet worden geacht, overweegt de Afdeling dat [appellante] dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Evenmin heeft zij onderbouwd dat zij redelijkerwijs niet over deze gegevens en bescheiden kon beschikken. Ook is niet gebleken dat het gegevens en bescheiden betreft waarover het college zelf beschikt. Het betoog faalt.