Uitspraak
200203397/1overweegt de Afdeling dat voor het samenvoegen van twee woningen van belang is dat de woningen door samenvoeging niet meer afzonderlijk worden bewoond. Nu [appellant] een doorgang tussen de woningen [locatie 1 en 2] heeft gemaakt en de twee woningen tot één grote woning zijn gemaakt en deze door [appellant] ook als zodanig wordt bewoond, staat vast, dat de woningen niet meer afzonderlijk worden bewoond. Dat de voordeur, brievenbus en aansluitingen voor water en elektriciteit van de woonruimte [locatie 2] sinds de verbouwing op dezelfde plaats zijn gebleven en de woning daarom eenvoudig in oude staat kan worden teruggebracht, doet hieraan niet af. Ten aanzien van het betoog dat de compensatievergoeding niet verschuldigd is als [appellant] elders in Utrecht een tweede woning had gekocht, wordt opgemerkt dat in dat geval niet wordt samengevoegd als bedoeld in artikel 3.1.2 van de Verordening. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat in dit geval twee woonruimten zijn samengevoegd als bedoeld in artikel 3.1.2 van de Verordening. Uit de geschiedenis van totstandkoming van de Huisvestingswet (Kamerstukken II, 1987/88, 20 520, nr. 3, blz. 94) blijkt dat onder het onttrekken van woonruimte aan de woonruimtevoorraad ook de samenvoeging met andere woonruimte wordt verstaan.