AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijzigingsplan Brede School Oude Dorp
Het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp heeft op 26 oktober 2010 het wijzigingsplan 'Brede School Oude Dorp' vastgesteld, dat een vergroting van het bebouwd oppervlak met 10% en een beperkte verhoging van de bouwhoogte mogelijk maakt ten behoeve van de realisatie van een brede school op het perceel Kastanjelaan 6.
Verzoekers, omwonenden, zijn het niet eens met dit wijzigingsplan en vreesden onomkeerbare gevolgen. Zij stelden onder meer dat de behoefte aan de brede school niet was aangetoond, dat de wijzigingsbevoegdheid niet bedoeld was voor een grote groei van de leerlingencapaciteit, en dat het plan onvoldoende duidelijkheid bood over de buitenruimte en verkeerssituatie.
De voorzitter overwoog dat het wijzigingsplan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan 'Centrum' en dat het slechts een minimale wijziging van de maatvoering betreft. Er is geen aannemelijk bewijs dat het plan leidt tot verkeerskundige problemen of een relevante capaciteitsvergroting. Bezwaren tegen het gebruik als brede school konden niet in deze procedure worden meegenomen omdat dit al mogelijk was op grond van het bestemmingsplan.
Gelet hierop werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het wijzigingsplan Brede School Oude Dorp is afgewezen.
Uitspraak
201012501/2/R1.
Datum uitspraak: 5 april 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker] en anderen, wonend te Leiderdorp,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Brede School Oude Dorp" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2010, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 maart 2011, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [verzoeker] en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.W. Edinga, J. Boot en M.A. Hendriks, allen werkzaam bij de gemeente, en vertegenwoordigd door C.J.M.W. Wassenaar, wethouder van de gemeente, zijn verschenen.
Ter zitting zijn buiten bezwaren van partijen nadere stukken in het geding gebracht.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan maakt vergroting van het bebouwd oppervlak met 10% en een gedeeltelijke verhoging van de bouwhoogte met 1 m mogelijk, ten behoeve van de realisatie van de Brede School Oude Dorp op het perceel Kastanjelaan 6 (hierna: het perceel), waar thans de basisschool "Kastanjelaanschool" is gevestigd.
2.3. [verzoeker] en anderen kunnen zich niet verenigen met het wijzigingsplan en beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen te voorkomen.
Ter zitting heeft de raad verklaard dat een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend en een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd. Gelet hierop overweegt de voorzitter dat [verzoeker] en anderen een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4. Voor zover [verzoeker] en anderen betogen dat bij het nemen van het raadsbesluit van 20 april 2009, de verlening van de sloopvergunning voor de Kastanjelaanschool en de verlening van een kapvergunning op 28 juli 2010 het college en de raad van de gemeente Leiderdorp onzorgvuldig en in strijd met de belangen van omwonenden hebben gehandeld, overweegt de voorzitter dat deze bezwaren zien op besluiten die in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen.
2.5. [verzoeker] en anderen stellen dat de behoefte aan de Brede School niet is aangetoond en dat de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan "Centrum" niet is bedoeld om een grote groei van de leerlingencapaciteit mogelijk te maken. Voorts menen zij dat het plan niet vastgesteld had mogen worden, omdat nog veel onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop de buitenruimte voor de Brede School zal worden gerealiseerd. Zij vrezen dat de belangen van de omwonenden onvoldoende in de afweging zullen worden betrokken. Tevens betogen [verzoeker] en anderen dat in het verkeersonderzoek onvoldoende aandacht is besteed aan de reeds bestaande verkeersstromen vanwege andere functies in de wijk.
2.6. Ingevolge het bestemmingsplan "Centrum" is aan het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse A met bijbehorende erven (BDA)" en de aanduiding "bebouwingspercentage ten opzichte van het gehele bouwperceel" van 50% toegekend.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het bestemmingsplan "Centrum", voor zover hier van belang, geldt voor gronden met de bestemming "Bijzondere doeleinden, al dan niet met bijbehorende erven (BDA, BDB, BDC)" dat de op de kaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen van bijzondere aard, zoals scholen, kerken, ziekenhuizen, verenigingsgebouwen en gebouwen voor sociale en culturele doeleinden, met de daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen, tuinen, parkeerterreinen, speelterreinen en andere bouwwerken.
Ingevolge dit lid, onder a, geldt voor deze gronden dat de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel niet meer mag bedragen dan door het op de kaart aangegeven bebouwingspercentage.
Ingevolge dit lid, onder b, geldt dat gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken.
Ingevolge dit lid, onder c en onder 1, mag de goothoogte van de hoofdgebouwen voor de klasse A ten hoogste 5 m bedragen.
Ingevolge dit lid, onder d, geldt dat de hoogte van hoofdgebouwen ten hoogste 5 m meer mag bedragen dan de maximaal toelaatbare goothoogte.
Ingevolge artikel 42, aanhef en onder c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 vanPro de WRO het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op het wijzigen van de voorgeschreven maatvoeringen voor gebouwen met ten hoogste 10% als in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn.
Ingevolge artikel 9.1.5 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, wordt een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 11 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gelijkgesteld met een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).
2.7. Ingevolge het wijzigingsplan is aan het perceel de aanduiding "bebouwingspercentage ten opzichte van het gehele bouwperceel" van 55% toegekend. Voorts is aan een gedeelte van het bebouwingsvlak de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" toegekend van 11 m.
2.8. De bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan "Centrum" volgt uit artikel 42 vanPro de voorschriften behorende bij dat plan. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Centrum" mag de aanvaardbaarheid van de ruimere maatvoering in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Niet is geschil is dat het wijzigingsplan aan de wijzigingsvoorwaarden voldoet. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke maatvoering is gerechtvaardigd.
Het wijzigingsplan voorziet in een minimale wijziging van de maatvoering, zodat de voorzitter geen aanleiding ziet voor het oordeel dat dit zich niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop acht de voorzitter het voorshands niet aannemelijk dat het wijzigingsplan een planologisch relevante capaciteitsvergroting van de school tot gevolg heeft.
Gelet hierop en op het "Verkeersonderzoek Brede School Oude Dorp" (hierna: het verkeersonderzoek) ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot verkeerskundige problemen. In dit verband overweegt de voorzitter dat [verzoeker] en anderen vooralsnog niet aannemelijk hebben gemaakt dat hetgeen uit het verkeersonderzoek volgt niet juist is, namelijk dat reeds voldoende parkeerplaatsen in de omgeving van de Brede School aanwezig zijn en dat in de omgeving van de Brede School voldoende ruimte is om zo nodig extra parkeerplaatsen te realiseren en verkeersmaatregelen te nemen.
Wat betreft de buitenruimte van de Brede School heeft het college toegelicht dat de wettelijk vereiste buitenruimte binnen het plangebied van het wijzigingsplan kan worden gerealiseerd. Ten aanzien van het betoog van [verzoeker] en anderen omtrent de extra buitenruimte buiten het plangebied, overweegt de voorzitter dat dit buiten het toetsingskader van dit geding valt.
Zoals ook ter zitting door [verzoeker] en anderen is toegelicht, richten zij zich voor het overige niet tegen de gewijzigde maatvoering maar tegen het voorgestane gebruik als Brede School, in dit geval een basisschool met een kinderopvangvoorziening. Een dergelijke voorziening wordt evenwel niet eerst mogelijk gemaakt met het wijzigingsplan, maar was ter plaatse reeds mogelijk op grond van het bestemmingsplan "Centrum", waarin aan het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse A met bijbehorende erven (BDA)" is toegekend. Het wijzigingsplan voorziet niet in een wijziging van die bestemming. Bezwaren tegen die bestemming kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.
Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.