ECLI:NL:RVS:2011:BQ1030

Raad van State

Datum uitspraak
13 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201001619/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.W.L. Simons-Vinckx
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.10 WroArt. 9.1.4 Invoeringswet Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen parapluherziening verbod wonen in bijgebouwen gemeente Renkum

De raad van de gemeente Renkum stelde op 16 december 2009 het bestemmingsplan 'Parapluherziening verbod wonen in bijgebouwen 2009' vast, waarin aan alle geldende bestemmingsplannen een verbod op wonen in bijgebouwen werd toegevoegd. RT Vastgoed en anderen maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden beroep in bij de Raad van State.

Zij vreesden dat met de parapluherziening het algemene gebruiksverbod van artikel 7.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing zou worden op hun gronden binnen het bestemmingsplan 'Nieuweweg en omgeving 1995', dat onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) tot stand was gekomen.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wro het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing blijft op bestemmingsplannen waarvan het ontwerp voor die datum ter inzage is gelegd. De parapluherziening betrof slechts een deel van de voorschriften van het bestemmingsplan en de overgangsperioden waren nog niet verstreken. Daarom werd artikel 7.10 Wro niet van toepassing op het bestemmingsplan 'Nieuweweg en omgeving 1995'.

De vrees van RT Vastgoed ontbeerde feitelijke grondslag en de raad had zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening strekte. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van RT Vastgoed tegen de parapluherziening verbod wonen in bijgebouwen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

201001619/1/R2.
Datum uitspraak: 13 april 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RT Vastgoed B.V., gevestigd te Renkum, en anderen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Renkum,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2009, nummer 7, heeft de raad het bestemmingsplan "Parapluherziening verbod wonen in bijgebouwen 2009" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben RT Vastgoed en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 maart 2010.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2011.
2. Overwegingen
2.1. De parapluherziening sterkt ertoe aan alle in de gemeente geldende bestemmingsplannen een verbodsbepaling op wonen in een bijgebouw toe te voegen. Daartoe voorziet de parapluherziening onder meer in artikel 2 van Pro de planregels, dat bepaalt dat onder een strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het gebruik van bijgebouwen voor (zelfstandige) bewoning.
2.2. RT Vastgoed en anderen vrezen dat door de inwerkingtreding van de parapluherziening het algemeen gebruiksverbod van artikel 7.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is gaan gelden voor hun gronden in het plangebied van het op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) tot stand gekomen bestemmingsplan "Nieuweweg en omgeving 1995".
2.3. Op 1 juli 2008 zijn de Wro en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) in werking getreden.
Ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp voor dat tijdstip ter inzage is gelegd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 26 november 2008 in zaak nr.
200708557/1is met artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wro beoogd dat een bestemmingsplan dat op grond van de WRO tot stand is gekomen het rechtsgevolg behoudt dat het onder de WRO had. Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat zolang de termijnen als bedoeld in artikel 9.1.4, derde en vierde lid, van de Invoeringswet Wro nog niet verstreken zijn, de vaststelling onder de procedure van de Wro van een partiële herziening van een bestemmingsplan dat op grond van de WRO tot stand is gekomen niet met zich brengt dat artikel 7.10, eerste lid, van de Wro alsnog van toepassing wordt op zo’n plan, indien en voor zover die partiële herziening alleen betrekking heeft op een deel van de plankaart, dan wel een deel van de voorschriften dan wel een combinatie van die twee.
2.4. De parapluherziening heeft alleen betrekking op een deel van de voorschriften van op grond van de WRO tot stand gekomen bestemmingsplannen. Ten tijde van de vaststelling van de parapluherziening waren de termijnen als bedoeld in artikel 9.1.4, derde en vierde lid, van de Invoeringswet Wro voorts nog niet verstreken. Gelet op deze omstandigheden heeft de vaststelling van de parapluherziening niet met zich mee gebracht dat artikel 7.10, eerste lid, van de Wro, dat op dat moment nog gold, van toepassing werd op de op grond van de WRO tot stand gekomen bestemmingsplannen, waaronder het bestemmingsplan "Nieuweweg en omgeving 1995". De vrees van RT Vastgoed en anderen mist derhalve feitelijke grondslag.
2.5. In hetgeen RT Vastgoed en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.
w.g. Simons-Vinckx w.g. Binnema
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011
589.