Uitspraak
200808505/1wegens strijd met de Wet geurhinder en veehouderij is vernietigd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Terschelling gaf op 22 maart 2010 een verklaring op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer voor een verandering van een veehouderij met nevenactiviteiten. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat de veranderingen zouden leiden tot een andere inrichting en tot grotere nadelige milieugevolgen, met name geur- en geluidshinder.
De Raad van State oordeelde dat de gemelde veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor de vergunning is verleend, omdat de activiteiten met paarden ongewijzigd blijven en het aantal dieren binnen de vergunde grenzen blijft. Tevens is vastgesteld dat de ammoniakemissie en daarmee de geurhinder naar verwachting afneemt door het houden van paarden en ezels in plaats van koeien en jongvee.
De Raad verwierp het beroep ook omdat de Wet geurhinder en veehouderij niet van toepassing is bij de beoordeling van een melding en omdat de geluidshinder niet toeneemt. De beoordeling van het college dat de veranderingen geen grotere nadelige milieugevolgen veroorzaken werd niet betwist met voldoende bewijs. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het college inzake de melding verandering veehouderij wordt ongegrond verklaard.