ECLI:NL:RVS:2011:BQ1851

Raad van State

Datum uitspraak
20 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201006602/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • J.C. Kranenburg
  • N.S.J. Koeman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking vergunning Veerplein Kruiningen

Appellant had een vergunning voor het gebruik van het Veerplein te Kruiningen voor het houden van een cafetaria annex wachtlokaal met bijkomende werken. Deze vergunning werd door de minister op 21 augustus 2006 ingetrokken. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister werd afgewezen bij besluit van 20 november 2008. Vervolgens verklaarde de rechtbank Middelburg het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond in haar uitspraak van 27 mei 2010.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep richtte zich uitsluitend tegen de overweging van de rechtbank dat appellant geen belang had bij een vergoeding van schade op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999. De Raad van State oordeelde dat appellant geen belang had bij dit onderdeel en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 20 april 2011 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder voorzitterschap van R.W.L. Loeb.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

201006602/1/H2.
Datum uitspraak: 20 april 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) van 27 mei 2010 in zaak nr. 08/1203 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Verkeer en Waterstaat, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: de minister).
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2006 heeft de minister de aan [appellant] voor het gebruikmaken van het Veerplein te Kruiningen voor het houden van een cafetaria annex wachtlokaal met bijkomende werken verleende vergunning ingetrokken.
Bij besluit van 20 november 2008 heeft hij, opnieuw beslissend op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, dat besluit herroepen, doch dat bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2010, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2011, waar [appellant], bijgestaan door L.T. de Lange, adviseur te Nieuwerkerk a/d IJssel, en de minister van Infrastructuur en Milieu, vertegenwoordigd door mr. M. Goeyers, werkzaam bij Rijkswaterstaat Zeeland, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de door de rechtbank louter ten overvloede gegeven overweging dat de minister ter zitting heeft medegedeeld dat [appellant] ter zake van de door hem gestelde schade als gevolg van het vervallen van de aan hem verleende vergunning desgewenst op grond van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 om vergoeding van die schade kan verzoeken. [appellant] heeft daarbij geen belang.
2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Hazen
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011
452.