Uitspraak
200802101/1) kan de vraag of uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aan het perceel de juiste bestemming is toegekend in het kader van de exceptieve toetsing van het desbetreffende planonderdeel niet aan de orde komen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Koggenland weigerde aan appellanten vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het verbouwen van een schuur tot woning op een perceel met de bestemming 'Agrarisch gebied met landschapswaarden' en nevenbestemming 'Waterkering'. Appellanten maakten bezwaar en stelden beroep in tegen deze besluiten, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep bij de Raad van State werd betoogd dat het gebouw al 150 jaar als zelfstandige woning werd gebruikt en dat het college onredelijk had gehandeld door de vrijstelling te weigeren.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht was uitgegaan van een rapport uit 1996 waaruit bleek dat het gebouw oorspronkelijk een bijgebouw was en niet als zelfstandige woning werd gebruikt. Het bouwplan was in strijd met het bestemmingsplan, dat het gebruik van bijgebouwen voor bewoning verbiedt. Het college had een ruime beleidsvrijheid bij de weigering van de vrijstelling en had dit voldoende gemotiveerd vanuit het belang van het behoud van het agrarisch karakter en de landschappelijke waarden van het gebied.
De zogenaamde 'toverformule' uit het bestemmingsplan biedt alleen vrijstelling van gebruiksvoorschriften en niet van bouwvoorschriften, zodat deze niet kon leiden tot een bouwvergunning. Het college had bovendien aannemelijk gemaakt dat dringende redenen zich verzetten tegen het verlenen van vrijstelling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van vrijstelling en bouwvergunning bevestigd.