ECLI:NL:RVS:2011:BQ2599
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling middelen van bestaan bij aanvraag verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd gegrond verklaarde. Centraal staat de vraag of een uitkering krachtens de Ziektewet kan worden aangemerkt als middel van bestaan in de zin van artikel 3.75, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De minister stelde aanvankelijk dat de Ziektewetuitkering niet als middel van bestaan uit arbeid in loondienst kon worden beschouwd omdat er geen onderliggend dienstverband was. Na vragen van de Afdeling bleek uit nader onderzoek dat dergelijke uitkeringen wel als middelen van bestaan worden aangemerkt voor de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, maar niet worden betrokken bij de beoordeling of de middelen nog zes maanden beschikbaar zijn.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was om te concluderen dat de vreemdeling niet aan het middelenvereiste voldeed. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betalen van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.