ECLI:NL:RVS:2011:BQ2731
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring wegens vermoeden van onttrekking aan uitzetting bevestigd
De vreemdeling werd op 23 november 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het vermoeden dat hij zich aan zijn uitzetting zou onttrekken. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en hief de bewaring op, met toekenning van schadevergoeding.
Zowel de vreemdeling als de minister stelden hoger beroep in bij de Raad van State. De minister voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zijn vrees ongegrond was en dat een lichter middel dan bewaring effectief zou zijn geweest. De vreemdeling had verklaard Nederland niet te zullen verlaten en had geen inspanningen verricht om terug te keren naar zijn land van herkomst.
De Raad van State oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd dat er aanwijzingen waren dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken. Het feit dat de vreemdeling zich aan de meldplicht had gehouden, maakte dit niet anders. De rechtbank had ten onrechte haar eigen oordeel in de plaats van de minister gesteld. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, dat van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Er werd geen schadevergoeding toegekend en het verzoek van de vreemdeling daartoe werd afgewezen. De beslissing bevestigt dat vreemdelingenbewaring kan worden toegepast wanneer een reëel risico bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan uitzetting, ook als hij zich aan een meldplicht houdt.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt bevestigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.