ECLI:NL:RVS:2011:BQ3229

Raad van State

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201009279/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • P.A. Offers
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 29 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid risico terugkeer Iran

De vreemdeling had een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris van Justitie werd afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door mee te wegen dat de partner van de vreemdeling een erkend Iraanse vluchteling is, terwijl dit niet in de procedure was aangevoerd. Vervolgens beoordeelt de Raad het besluit van 3 februari 2010 inhoudelijk.

De vreemdeling stelde dat zij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, omdat zij als ongehuwde vrouw met kinderen zou worden vervolgd wegens ongehuwd geslachtsverkeer. De Raad stelt vast dat de door de vreemdeling overgelegde rapporten en ambtsberichten geen steun bieden voor dit standpunt, mede omdat volgens het Iraanse ministerie van Buitenlandse Zaken seksuele relaties die in het buitenland zijn aangegaan niet in Iran worden vervolgd.

Daarom is de vreemdeling niet geslaagd in de bewijslevering dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.

Uitspraak

201009279/1/V3.
Datum uitspraak: 27 april 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 augustus 2010 in zaak nr. 10/4697 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 augustus 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 september 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.
2.2. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten de vreemdeling bij terugkeer naar Iran als alleenstaande vrouw, vanwege haar twee minderjarige kinderen zullen associëren met hun vader, de Nederlandse partner van de vreemdeling, die een erkend Iraanse vluchteling is. Hiertoe voert de minister aan dat de vreemdeling tijdens haar asielprocedure nimmer heeft gesteld dat haar Nederlandse partner een erkend Iraanse vluchteling is. De rechtbank is daarmee buiten de omvang van het geschil getreden, aldus de minister.
2.3. De vreemdeling heeft in haar verweerschrift terecht gesteld dat zij tijdens het eerste gehoor heeft opgemerkt dat haar partner een erkend Iraanse vluchteling is. Tegen de omstandigheid dat dit gegeven niet bij de besluitvorming is betrokken heeft de vreemdeling in beroep evenwel geen gronden aangevoerd, ook niet ter zitting van de rechtbank. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt dat voormeld gegeven door de rechtbank ter zitting aan de orde is gesteld. Door die omstandigheid bij de beoordeling van het beroep te betrekken, is de rechtbank met de aangevallen overweging buiten de omvang van het geding getreden.
Grief 1 slaagt.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 3 februari 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop nog moet worden beslist.
2.5. De vreemdeling heeft betoogd dat zij bij terugkeer naar Iran te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), omdat zij een ongehuwde vrouw is met kinderen en bij terugkeer zal worden beschuldigd van ongehuwd geslachtsverkeer, waarop in Iran een straf van 100 zweepslagen is gesteld (artikel 88 van Pro het Iraanse Wetboek van Strafrecht). Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij verwezen naar een rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 16 mei 2007, de algemene ambtsberichten over Iran van 2004 en 2007, een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo van 15 september 2004, een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 28 juli 2006 en een uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2004, JV 2004/320.
2.5.1. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer het risico loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 loopt. De omstandigheid dat op ongehuwd geslachtsverkeer in Iran straf is gesteld en de Iraanse autoriteiten op de hoogte zullen geraken van het feit dat zij als ongehuwde kinderen heeft gekregen indien zij samen met haar kinderen naar Iran zou gaan, is daartoe niet voldoende. Hierbij is in aanmerking genomen dat in paragraaf 1.4.3 (Strafen) van het door de vreemdeling overgelegde rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 16 mei 2007 is opgemerkt: "Laut iranischem Aussenministerium werden sexuelle Beziehungen, die im Ausland begangen worden sind, in Iran nicht weiter verfolgt." Ook de uitspraken en het ambtsbericht van juni 2007 waarop de vreemdeling zich heeft beroepen, bieden geen steun voor het oordeel dat ongehuwd geslachtsverkeer dat buiten Iran heeft plaatsgevonden in Iran strafrechtelijk wordt vervolgd. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De beroepsgronden falen.
2.6. Het inleidende beroep is ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 25 augustus 2010 in zaak nr. 10/4697;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Bakker
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011
393.
Verzonden: 27 april 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser