ECLI:NL:RVS:2011:BQ3409

Raad van State

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201012316/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 19 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Ruyven-Zuidpolder Delfgauw

Bij besluit van 23 september 2010 stelde de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp het bestemmingsplan "Ruyven-Zuidpolder van Delfgauw" vast. Verzoekers, wonend te een woonplaats, maakten bezwaar tegen het plan omdat het gebruik van hun voormalige rijtuigschuur als werkplaats niet was toegestaan.

Verzoekers vroegen om een voorlopige voorziening om het plan te schorsen, zodat zij gebruik konden maken van eerder verleende vrijstellingen en bouwvergunningen voor verbouwing van hun woonhuis en stal. De raad stelde dat er geen spoedeisend belang was om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter oordeelde dat het bestemmingsplan de verbouwing van het woonhuis en de stal niet belemmert en dat de vrijstelling met de voorwaarde tot sloop van de ligboxenstal na inwerkingtreding van het plan geen betekenis meer heeft. Hierdoor is het niet noodzakelijk de werkplaats te verplaatsen voordat met de bouwvergunning kan worden gestart.

Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang wees de voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan is afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

201012316/2/R1.
Datum uitspraak: 27 april 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te [woonplaats],
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruyven-Zuidpolder van Delfgauw" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, beroep ingesteld.
Bij dezelfde brief hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 april 2011, waar [verzoekers], in de persoon van [verzoeker A], bijgestaan door mr. X. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en de raad, vertegenwoordigd door R. van den Bosch en A. Wamsteeker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. In het plan is aan het voormalig agrarisch perceel van [verzoekers], gelegen aan de [locatie], de bestemming "Wonen (W)" toegekend. Het plan staat het gebruik van de voormalige rijtuigschuur als werkplaats voor hun timmer- en aannemersbedrijf niet toe.
2.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3.1. Bij besluit van 28 oktober 2008 is aan [verzoekers] vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning 1e fase verleend. Bij besluit van 18 november 2010 is aan hen een bouwvergunning 2e fase verleend voor de verbouw van het woonhuis en de (inpandige) stal tot woonhuis en kantoor.
2.3.2. [verzoekers] beogen met hun verzoek om schorsing van het plan, voor zover het hun perceel betreft, te bereiken dat zij gebruik kunnen maken van de aan hen verleende vrijstelling, voor zover die naar zij betogen tevens ziet op het gebruik van de voormalige rijtuigschuur als werkplaats. Zij willen zo spoedig mogelijk beginnen met de verbouwing van het woonhuis en de (inpandige) stal. Aan de vrijstelling is echter ook de voorwaarde verbonden dat de ligboxenstal, die nu als werkplaats wordt gebruikt, moet worden gesloopt. Om te kunnen slopen dient de werkplaats naar de voormalige rijtuigschuur te worden verplaatst, aldus [verzoekers].
2.3.3. De voorzitter overweegt dat het plan niet in de weg staat aan de verbouwing van het woonhuis en de (inpandige) stal tot woonhuis en kantoor als waarvoor bouwvergunning is verleend. Verder komt bij inwerkingtreding van het plan aan de vrijstelling met de daaraan verbonden voorwaarde tot sloop van onder meer de ligboxenstal geen betekenis meer toe. Derhalve is het niet noodzakelijk om de werkplaats naar de voormalige rijtuigschuur te verplaatsen, voordat gebruik kan worden gemaakt van de verleende bouwvergunning. Gelet hierop acht de voorzitter geen spoedeisend belang aanwezig.
2.3.4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Soede
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011
270-668.