AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening bestuursrechtelijke uitspraak over ontheffing afrastering nabij oppervlaktewater
Het verzoek tot herziening betreft een bestuursrechtelijke zaak waarin het dagelijks bestuur op 25 november 2008 het bezwaar van verzoeker tegen een ontheffing voor het hebben van een afrastering en/of beplanting nabij oppervlaktewater ongegrond verklaarde. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigden deze beslissing in eerdere uitspraken.
Verzoeker heeft vervolgens een herzieningsverzoek ingediend op grond van artikel 8:88 AwbPro, stellende dat er feiten of omstandigheden zijn die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. De Afdeling oordeelt echter dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die voor de uitspraak van 22 september 2010 niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn.
De Afdeling benadrukt dat het herzieningsverzoek niet bedoeld is om een reeds beslecht geschil opnieuw te behandelen. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten wordt het verzoek afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de bestuursrechtelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
201010744/1/H2.
Datum uitspraak: 11 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te [woonplaats], gemeente Hulst,
verzoekers,
om herziening (artikel 8:88 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2010, in zaak nr. 201001713/1/H2.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [verzoeker] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 september 2007, waarbij aan [verzoeker] ontheffing is verleend voor het hebben van een afrastering en/of beplanting op een afstand van ten minste 0,50 meter uit de insteek van het oppervlaktewater van zijn perceel, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 januari 2010 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 september 2010, in zaak nr. 201001713/1/H2, heeft de Afdeling het door [verzoeker] ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak is aangehecht.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2010, heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
Het waterschap Scheldestromen heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 31 maart 2011.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2. Herziening is alleen mogelijk op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] geen feiten of omstandigheden gesteld die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak van 22 september 2010 en die bij hem vóór die uitspraak niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn.
Het betoog van [verzoeker] als neergelegd in zijn verzoek alsmede in zijn pleitnota komt er overwegend op neer dat hij het niet eens is met de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2010. Het buitengewone rechtsmiddel van herziening dient er echter niet toe een partij de gelegenheid te bieden een geschil waarover bij rechterlijke uitspraak is beslist, naar aanleiding van die uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen met als doel het reeds in hoger beroep gevoerde debat te heropenen.
2.3. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.