Uitspraak
200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van Pro de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De minister pleegt, zoals in 2.1. is vermeld, van artikel 10 van Pro de RWN slechts terughoudend gebruik te maken in uitzonderlijke, hiervoor onder 2.1. vermelde, gevallen. De omstandigheden dat een persoon lange tijd in Nederland verblijft, stelt te zijn ingeburgerd en in zijn eigen onderhoud voorziet, kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een uitzonderlijk geval. De omstandigheid dat uit het medisch advies zou blijken dat [appellant] niet in staat zou zijn binnen vijf jaar de naturalisatietoets te behalen kan, gelet op hetgeen in 2.3.1. is overwogen, evenmin tot die conclusie leiden. De rechtbank heeft derhalve terecht en voldoende gemotiveerd overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat toepassing van artikel 10 van Pro de RWN in het geval van [appellant] niet aangewezen is.