ECLI:NL:RVS:2011:BQ4614
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Lubberdink
- J.J. Schuurman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling
De vreemdeling verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen die de voorgenomen uitzetting naar Irak op 9 mei 2011 zou verbieden. Dit verzoek werd gedaan in het kader van een hoger beroep tegen het afwijzen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De voorzitter oordeelde dat uit de stellingen van de vreemdeling niet blijkt dat hij daadwerkelijk op de genoemde datum zal worden uitgezet in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang dat vereist is voor het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook het feit dat het besluit van 1 september 2010 voor uitvoering vatbaar is, werd niet als voldoende spoedeisend belang gezien.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 4 mei 2011.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de voorgenomen uitzetting wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.