AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen instemming bindend advies
In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel een bindend advies van een commissie van deskundigen geaccepteerd, waarmee een geschil met appellante werd beëindigd. Appellante stelde bezwaar tegen deze instemming, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en verwees haar naar de burgerlijke rechter voor interpretatie of uitvoering van het bindend advies.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de brief van het college van 16 juni 2009 wel een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht bevatte, omdat het een juridisch oordeel in een publiekrechtelijke zaak zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de brief slechts het overleg betrof zoals bedoeld in de vaststellingsovereenkomst, die een overeenkomst naar burgerlijk recht is. De instemming met het bindend advies is geen publiekrechtelijke bevoegdheid en de brief vormt daarom geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 18 mei 2011.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat de brief van het college geen besluit is en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
201006891/1/H2.
Datum uitspraak: 18 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Rotterdam (hierna: [appellante]),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 3 juni 2010 in zaak nr. 09/3679 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (hierna: het college).
1. Procesverloop
Bij brief van 16 juni 2009 heeft het college [appellante] medegedeeld dat het zich kan vinden in een door een commissie van deskundigen uitgebracht bindend advies en dat advies als zodanig accepteert.
Bij besluit van 29 september 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 3 juni 2010, verzonden op 8 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en bepaald dat bij de burgerlijke rechter een vordering ter zake van het geschil over de interpretatie of uitvoering van het bindend advies kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2011, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. P.L. van den Herik, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op 24 januari 2006 hebben [appellante] en de gemeente Capelle aan den IJssel een overeenkomst, als bedoeld in artikel 900 vanPro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gesloten, ten einde een einde te maken aan een tussen hen bestaand geschil door het inwinnen van een bindend advies bij een commissie van deskundigen. Dat geschil heeft onder meer betrekking op het voornemen om het bouwvlak van het perceel aan de [locatie] in het bestemmingsplan Middelwatering 2004 te herzien en daarmee verband houdende mogelijke door [appellante] te lijden schade.
Bij brief van 5 november 2008 heeft de commissie het bindend advies gegeven. Bij brief van 14 januari 2009 heeft [appellante] het college om overleg verzocht over de interpretatie of uitvoering van dat advies. Naar aanleiding van dat overleg, dat op 25 mei 2009 heeft plaatsgevonden, heeft het college de brief van 16 juni 2009 verzonden.
2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de brief van 16 juni 2009 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht behelst, heeft miskend dat het college in die brief een juridisch oordeel in een publiekrechtelijke zaak heeft gegeven.
2.2.1. Volgens artikel 2, tweede lid, onder e, van de vaststellingsovereenkomst geldt de inhoud van het bindend advies als tussen partijen overeengekomen.
Volgens artikel 6 zullenPro partijen trachten door overleg tot een regeling te komen, indien zij in de toekomst van mening verschillen over de interpretatie of uitvoering van deze overeenkomst, dan wel het bindend advies, als bedoeld in artikel 2, tweede lid. Wanneer dat onmogelijk blijkt, zal dat geschil aan de ter zake bevoegde rechter worden voorgelegd, aldus die bepaling van de overeenkomst.
2.2.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, nu de vaststellingsovereenkomst een overeenkomst naar burgerlijk recht is en de in de brief van 16 juni 2009 vervatte mededeling het in artikel 6 vanPro de vaststellingsovereenkomst bedoelde overleg betreft, de brief niet gericht is op het teweegbrengen van enig publiekrechtelijk rechtsgevolg. De instemming door het college met het bindend advies is geen uitoefening van enige publiekrechtelijke bevoegdheid. De brief van 16 juni 2009 behelst reeds hierom geen besluit, waartegen bezwaar kon worden gemaakt.
Het betoog faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.