ECLI:NL:RVS:2011:BQ4898

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201010122/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.A. Offers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gedeeltelijke intrekking subsidie vanwege onttrekking huurwoning

Het dagelijks bestuur heeft op 20 oktober 2008 een aan appellant verleende subsidie gedeeltelijk ingetrokken wegens het niet naleven van de verplichting dat de woning niet binnen tien jaar na subsidieverlening aan de bestemming tot huurwoning mocht worden onttrokken.

Appellant voerde aan dat zij de woning niet zelf bewoonde en onderbouwde dit met brieven aan de gemeente. De rechtbank oordeelde echter dat appellant sinds 9 augustus 2007 in de gemeentelijke basisadministratie op het adres stond ingeschreven, een feit dat het dagelijks bestuur mocht aannemen. De door appellant overgelegde brieven waren onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken.

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat appellant de woning binnen tien jaar na subsidieverlening aan de bestemming tot huurwoning heeft onttrokken door deze zelf te bewonen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank blijft in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gedeeltelijke intrekking van de subsidie bevestigd.

Uitspraak

201010122/1/H2.
Datum uitspraak: 18 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2010 in zaak nr. 09/4687 in het geding tussen:
[appellante]
en
het dagelijks bestuur van de Stadsregio Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft het dagelijks bestuur een aan [appellante] verleende subsidie ten behoeve van het treffen van ingrijpende voorzieningen aan particuliere huurwoningen gedeeltelijk ingetrokken.
Bij besluit van 3 september 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 14 september 2010, waarvan het proces-verbaal op 29 september 2010 is verzonden, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Nadat partijen bij brieven van 25 februari 2011 en 2 maart 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Het dagelijks bestuur heeft de aan [appellante] verleende subsidie gedeeltelijk ingetrokken, omdat zij niet heeft voldaan aan de in het besluit tot verlening van de subsidie opgenomen verplichting dat de woning aan de [locatie] niet binnen tien jaar na het besluit tot verlenen van de subsidie aan de bestemming tot huurwoning wordt onttrokken.
2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de woning binnen tien jaar na de verlening en vaststelling van de subsidie aan de bestemming tot huurwoning heeft onttrokken door als eigenaar de woning vanaf augustus 2007 zelf te bewonen. Zij heeft haar stelling dat zij niet in deze woning woonachtig was onderbouwd met uitvoerige brieven aan de gemeente, aldus [appellante].
2.2.1. Het betoog faalt. [appellante] stond met ingang van 9 augustus 2007 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [locatie]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur in beginsel op die inschrijving mocht afgaan en daarbij terecht van belang heeft geacht dat die inschrijving tot stand is gekomen naar aanleiding van een opgave van [appellante] bij de gemeente Amsterdam. Anders dan [appellante] stelt, heeft zij met de door haar overgelegde brieven aan de gemeente niet aannemelijk gemaakt dat zij de woning op het adres [locatie] niet bewoonde. De enkele stelling van [appellante] in de door haar opgestelde brieven is daartoe onvoldoende. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellante] zowel voorafgaand aan het besluit tot gedeeltelijke intrekking, alsook in de bezwaarprocedure ruimschoots in de gelegenheid is gesteld alsnog met gegevens aannemelijk te maken dat zij de woning niet bewoonde. Zij heeft dit evenwel nagelaten. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat aannemelijk is gemaakt dat [appellante] de woning binnen tien jaar na de verlening en vaststelling van de subsidie aan de bestemming tot huurwoning heeft onttrokken door als eigenaar de woning vanaf augustus 2007 zelf te bewonen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.
w.g. Offers w.g. Poot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011
362.