ECLI:NL:RVS:2011:BQ4910

Raad van State

Datum uitspraak
12 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201101412/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • L.M. Melenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan De Lier

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de gemeenteraad van Westland het bestemmingsplan voor een locatie te De Lier vastgesteld, waarin onder meer een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor uitbreiding van bedrijfsbebouwing met een maximale bouwhoogte van 15 meter. Verzoeker, die belanghebbende is vanwege zicht vanuit zijn perceel, heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening om artikel 10 van Pro het plan te wijzigen en de bouwhoogte te verlagen.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek behandeld tijdens een zitting op 18 april 2011, waarbij partijen en belanghebbenden zijn gehoord. De voorzitter overweegt dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de bodemprocedure.

De voorzitter oordeelt dat geen spoedeisend belang aanwezig is omdat onomkeerbare gevolgen pas kunnen ontstaan na het inwerkingtreden van een wijzigingsplan en er geen aanwijzingen zijn dat op korte termijn gebruik zal worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. Ook acht hij het verzoek te verstrekkend omdat de Afdeling in de bodemprocedure doorgaans niet zelf bestemmingen en planregels vaststelt.

Gelet op deze overwegingen wijst de voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af en ziet hij geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 12 mei 2011.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen artikel 10 van het bestemmingsplan wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

201101412/2/R1.
Datum uitspraak: 12 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te De Lier, gemeente Westland,
en
de raad van de gemeente Westland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te De Lier" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 april 2011.
Bij eerstgenoemde brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[belanghebbende] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 april 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J. Haeck en G.B. van Delft, en de raad, vertegenwoordigd door J.E.G. Dekker en R. Jansen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door A. Spuijbroek en K.H. de Heer en bijgestaan door mr. G.J.I.M. Seelen, advocaat te Leiden.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het uitbreiden van de bedrijfsruimte en het vernieuwen van de kantoorruimte van [belanghebbende] op het perceel [locatie 1] te De Lier. Het plangebied is gelegen aan de zuidoostzijde van de kern De Lier.
2.3. De voorzitter gaat er bij de behandeling van het verzoek vanuit dat [verzoeker] belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht omdat hij, hetgeen ter zitting niet is weersproken, vanaf zijn perceel [locatie 2] te De Lier, zicht heeft op het plangebied.
2.4. [verzoeker] komt op tegen de in het plan opgenomen aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied" en artikel 10 van Pro de planregels.
2.5. Ingevolge artikel 10 van Pro de regels behorende bij het plan kan het college van burgemeester en wethouders, indien dit vanuit bedrijfseconomisch oogpunt wenselijk en/of noodzakelijk is, het plan ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone-wijzigingsgebied" wijzigen, ten behoeve van de realisatie van nieuwe bedrijfsbebouwing ter plaatse, waarbij het bouwvlak desgewenst kan worden vergroot en/of gewijzigd, met dien verstande dat de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 15 meter en onder de voorwaarde dat geen onevenredige hinder optreedt naar de omgeving.
2.5.1. De voorzitter is van oordeel dat geen spoedeisend belang aanwezig is, aangezien eerst na het inwerkingtreden van een wijzigingsplan, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, onomkeerbare gevolgen kunnen ontstaan en niet is gebleken dat op korte termijn gebruik zal worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.
De voorzitter wijst er overigens nog op dat hetgeen [verzoeker] met het verzoek beoogt, te weten dat de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening artikel 10 van Pro de regels behorende bij het plan aldus zal wijzigen dat de bouwhoogte van de bedrijfsbebouwing die ingevolge voormeld artikel mogelijk wordt gemaakt, wordt verlaagd, om aldus onevenredige hinder voor [verzoeker] te voorkomen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, te verstrekkend is. Immers ook de uitspraak van de Afdeling zal, gelet op de aard van de toetsing in de bodemprocedure, doorgaans niet strekken tot het zelfvoorziend vaststellen van een bestemming en planregels. Van uitzonderlijke omstandigheden welke nopen tot een andere conclusie is niet gebleken.
2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Melenhorst
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2011
490.