ECLI:NL:RVS:2011:BQ4920

Raad van State

Datum uitspraak
13 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201102842/2/M1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • C. Sparreboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5:32 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake begunstigingstermijn last onder dwangsom geurvoorschrift

North Refinery heeft bij besluit van 3 december 2009 een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens overtreding van het geurvoorschrift verbonden aan haar milieuvergunning. Het college van gedeputeerde staten van Groningen stelde bij besluit van 24 juni 2010 een begunstigingstermijn van een maand vast, welke later bij besluit van 25 januari 2011 werd herroepen en vervangen door een termijn van zes weken.

North Refinery stelde dat deze termijn onvoldoende was om de geurmaatregelen te treffen en dat het college weigerde in overleg te treden over de doeltreffendheid van de maatregelen. Het college stelde daartegenover dat voldoende tijd was verstreken sinds december 2009 en dat zij bereid was tot overleg, maar dat het niet aan het college was om de maatregelen te bepalen.

De voorzitter overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig karakter heeft en dat het besluit van 3 december 2009 niet ter beoordeling stond in deze procedure. Gezien de verstreken tijd en de aangevoerde argumenten zag de voorzitter geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

Daarom werd het verzoek afgewezen en werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

201102842/2/M1.
Datum uitspraak: 13 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de naamloze vennootschap Refining and Trading Holland N.V., handelend onder de naam North Refinery (hierna: North Refinery), gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Groningen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college een begunstigingstermijn van een maand verbonden aan een bij besluit van 3 december 2009 opgelegde last onder dwangsom.
Bij besluit van 25 januari 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft het college onder meer het door North Refinery hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 24 juni 2010 herroepen en een begunstigingstermijn van zes weken aan de bij besluit van 3 december 2009 opgelegde last onder dwangsom verbonden.
Tegen dit besluit heeft North Refinery bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2011, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft North Refinery de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 april 2010, waar North Refinery, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ozinga, advocaat te Rotterdam, [en gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.B. Caderius van Veen en S. Wiardi, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De last onder dwangsom van 3 december 2009 is opgelegd wegens de gestelde overtreding van het aan de aan North Refinery verleende milieuvergunning verbonden voorschrift 5.7. Volgens dit voorschrift mag de geur van de in de inrichting aanwezige (afval)stoffen niet op 100 meter van de grens van de inrichting waarneembaar zijn. Indien op een afstand van meer dan 100 meter geur van de inrichting wordt waargenomen, dient de vergunninghouder in overleg met het bevoegd gezag doeltreffende geurmaatregelen te nemen. In het besluit van 3 december 2009 wordt geconstateerd dat dit voorschrift is overtreden, en wordt North Refinery gelast in overleg met het college doeltreffende geurmaatregelen te nemen opdat er op een afstand van 100 meter van de inrichting geen geur meer wordt waargenomen. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college een begunstigingstermijn van een maand verbonden aan de bij besluit van 3 december 2009 opgelegde last onder dwangsom. Op 11 augustus 2010 en 23 augustus 2010 heeft het college invorderingsbesluiten genomen. Bij het bestreden besluit heeft het college een beslissing op bezwaar genomen waarbij de besluiten van 24 juni 2010, 11 augustus 2010 en 23 augustus 2010 worden ingetrokken en een begunstigingstermijn van zes weken na dagtekening van het besluit van 24 januari 2011 wordt verbonden aan de last onder dwangsom van 3 december 2009.
2.3. Voor zover de bezwaren van North Refinery betrekking hebben op het besluit van 3 december 2009, overweegt de voorzitter dat dit besluit in rechte onaantastbaar is, en in deze procedure niet ter beoordeling staat.
2.4. North Refinery stelt dat de begunstigingstermijn te kort is om aan de opgelegde last te kunnen voldoen. Daartoe voert zij aan dat de eerste fase in het proces om maatregelen te treffen die de geur reduceren, afgerond kan worden in juni 2011. Het is op voorhand niet duidelijk of na de realisatie van de maatregelen geen geur waarneembaar zal zijn op 100 meter van de inrichting en aan de last voldaan zal zijn, aldus North Refinery. Tenslotte stelt zij dat niet aan de last voldaan kan worden omdat het college weigert met North Refinery in gesprek te gaan over de doeltreffendheid van de maatregelen.
2.4.1. Het college stelt dat North Refinery voldoende tijd heeft gehad om maatregelen te treffen. Vanaf 3 december 2009 heeft North Refinery de mogelijkheid gehad om onderzoek te doen naar doeltreffende maatregelen en deze te realiseren, aldus het college. Tevens stelt het college dat het bereid is om in gesprek te gaan met North Refinery, maar dat het niet aan het college is om tot doeltreffende maatregelen te komen.
2.4.2. De voorzitter overweegt dat gezien de termijn die verstreken is om onderzoek te doen naar doeltreffende maatregelen en deze te realiseren en gezien het overige dat North Refinery heeft aangevoerd, geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Daarbij is in aanmerking genomen dat voor zover North Refinery betoogt dat haar inrichting niet in werking kan zijn zonder dat verzekerd kan worden dat voorschrift 5.7 wordt nageleefd, dit betoog zich in feite richt tegen genoemd voorschrift. De rechtmatigheid van het stellen van dit voorschrift staat in deze procedure evenwel niet ter beoordeling.
2.5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.
w.g. Drupsteen w.g. Sparreboom
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2011
195-688.