ECLI:NL:RVS:2011:BQ4953

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201008273/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • D. Roemers
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet arbeid vreemdelingenArt. 37 Wet op de Raad van StateAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen boete Wet arbeid vreemdelingen

Bij besluit van 8 oktober 2009 legde de minister een boete van €16.000 op aan appellant wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Appellant maakte bezwaar dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van een derde partij, wederpartij, niet-ontvankelijk omdat deze geen belanghebbende was bij het besluit.

Appellant stelde dat sprake was van een kennelijke verschrijving en dat het beroep eigenlijk namens haar was ingesteld. De Raad van State oordeelde dat het beroepschrift duidelijk was gericht namens de wederpartij en dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.

De uitspraak bevestigt dat alleen belanghebbenden tegen bestuursrechtelijke besluiten kunnen procederen en dat kennelijke verschrijvingen niet zonder meer leiden tot ontvankelijkheid van een ander dan de genoemde partij. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt bevestigd.

Uitspraak

201008273/1/V6.
Datum uitspraak: 18 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 juli 2010 in zaak nr. 10/428 in het geding tussen:
[wederpartij], gevestigd te [plaats],
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft de minister [appellante] een boete van € 16.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 26 februari 2010 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 september 2010. Deze brieven zijn aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.L.H. Boas, advocaat te Goes, en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vertegenwoordigd door mr. M.C. Stokman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op dit geding is de Wet op de Raad van State van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 22 april 2010 (Stb. 2010, 175) op 1 september 2010.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover thans van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van [wederpartij] niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbende is bij het aan [appellante] gerichte besluit van 26 februari 2010 en geen grond bestaat het door [wederpartij] ingediende beroepschrift aan [appellante] toe te rekenen. [wederpartij] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Nu [appellante] heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte het bij haar ingediende beroep heeft opgevat als te zijn ingediend door [wederpartij] en dat de vermelding van [wederpartij] in het beroepschrift een kennelijke verschrijving is, is de Afdeling van oordeel dat [appellante] uitsluitend met betrekking tot dit punt ontvankelijk moet worden geacht. [appellante] zou anders immers dit punt niet zelf in hoger beroep aan de orde kunnen stellen, terwijl de uitspraak, indien op dit punt onjuist, haar wel betreft. Dit laatste maakt dat [appellante] in dit geval niet afhankelijk dient te zijn van instelling van hoger beroep door [wederpartij], welke vennootschap in ieder geval hoger beroep kan instellen tegen de onderhavige uitspraak.
2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat het door [wederpartij] ingestelde beroep aan [appellante] toe te rekenen omdat uit het beroepschrift niet de kennelijke bedoeling daartoe blijkt. Hiertoe voert zij aan dat sprake is geweest van een kennelijke verschrijving. Het was volgens [appellante] zowel voor de minister als voor de rechtbank duidelijk dat bedoeld was namens [appellante] beroep in te stellen, omdat beroep was ingesteld tegen een besluit gericht aan [appellante].
2.3.1. Het betoog faalt. In het beroepschrift heeft de gemachtigde vermeld dat het beroepschrift [wederpartij] betreft, zij eiseres is en dat hij namens [wederpartij] beroep instelt. De rechtbank heeft naar aanleiding van het bij haar ingestelde beroep verzocht om toezending van een uittreksel uit het handelsregister. Door de gemachtigde is een uittreksel met betrekking tot [wederpartij] toegezonden. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van een kennelijke fout, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat geen reden bestaat het uitdrukkelijk namens [wederpartij] ingestelde beroep toe te rekenen aan [appellante]. Derhalve heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij] terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011
164-532.