ECLI:NL:RVS:2011:BQ5551
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning vreemdeling op grond van Regeling nalatenschap Vreemdelingenwet oud
De vreemdeling, van Filippijnse nationaliteit, verzocht in 1988 om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Dit verzoek werd in 1990 afgewezen. Na diverse procedures, waaronder vernietiging van een eerdere afwijzing in 1995 en een definitieve afwijzing in 1996, werd vastgesteld dat de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging heeft en dat verwijdering in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.
De Rechtseenheidskamer bevestigde in 1997 dat de minister terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aanvraag af te wijzen, mede vanwege het belang van de Nederlandse staat. De Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) beoogt zekerheid te bieden aan vreemdelingen die na langdurige procedures nog in Nederland verblijven.
De vreemdeling stelde dat hij onder deze Regeling valt, omdat hij aan de voorwaarden voldoet en het doel is onzekerheid te beëindigen. De rechtbank oordeelde echter dat zijn situatie wezenlijk verschilt van de doelgroep van de Regeling, aangezien hem reeds zekerheid is geboden dat geen verblijfsvergunning wordt verleend en uitzetting wordt belemmerd door artikel 3 EVRM Pro.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de vreemdeling niet onder de Regeling valt en wijst het hoger beroep af.