Uitspraak
200306021/1) heeft de wetgever bij de in geding zijnde regelgeving slechts beoogd voor rechtzoekenden de weg naar de rechter te waarborgen door degenen die over onvoldoende draagkracht beschikken, al dan niet onder oplegging van een eigen bijdrage, door middel van een toevoeging te voorzien van verlening van rechtsbijstand. In dit geval beschikte [appellante], als gevolg van de toedeling van de voormalige echtelijke woning aan haar voormalige echtgenoot en het in verband daarmee aan haar toekennen van een bedrag wegens overbedeling, anders dan haar voormalige echtgenoot, over voldoende middelen om haar advocaatkosten te voldoen, zodat zij niet tot de in de Wrb beoogde doelgroep behoort. De raad heeft derhalve de Wrb op de juiste wijze en conform de doelstelling toegepast.
200807150/1/H2. In die uitspraak is geoordeeld dat de eventuele uitkomst van de resultaatsbeoordeling niet betrokken mag worden bij de beoordeling van de aanvraag tot vaststelling van de vergoeding. In de onderhavige zaak is evenwel de vraag aan de orde of de raad de aan [appellante] verstrekte toevoeging met terugwerkende kracht mocht intrekken. Voormelde uitspraak is daarop niet van toepassing.
201004791/1/H2, niet onredelijk. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden geen zwaarwegende omstandigheden zijn op grond waarvan de raad had moeten afzien van het met terugwerkende kracht intrekken van de verleende toevoeging. Voor zover [appellante], door te betogen dat aldus sprake is van onevenredige hardheid, een beroep beoogt te doen op de inherente afwijkingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, faalt dat betoog, nu de door haar genoemde omstandigheden geacht moeten worden in het beleid te zijn verdisconteerd.