AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging bij bestuursdwangkosten
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 18 juni 2010 een besluit genomen waarbij het de kosten van spoedeisende bestuursdwang (€115,00) aan appellant oplegde. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, ingediend door een gemachtigde zonder dat een schriftelijke machtiging of bewijs van zelfstandige bevoegdheid was overgelegd. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het verzuim niet binnen de gestelde termijn werd hersteld.
Appellant stelde dat de gemachtigde zelfstandig bevoegd was omdat hij directeur was van appellant, maar dit werd door de Raad van State niet voldoende geacht. Verder voerde appellant aan dat vakantie de reden was voor het niet tijdig reageren, maar dit werd als eigen verantwoordelijkheid beoordeeld. De Raad oordeelde dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaarde.
Het beroep van appellant tegen deze beslissing is ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 mei 2011.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging.
Uitspraak
201008264/1/M1.
Datum uitspraak: 25 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te Rotterdam,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij een op 18 juni 2010 gedateerd besluit heeft het college zijn beslissing om op 30 april 2010 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 115,00) voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 26 juli 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft het college het door [appellante], hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2010, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. El Fizazi, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
Ingevolge artikel 6:4, eerste lid, geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
Ingevolge artikel 6:6 kanPro, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 ofPro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2.2. Het college heeft vastgesteld dat het bezwaar is ingediend door [gemachtigde] namens [appellante], maar dat daartoe door [gemachtigde] geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel of enig ander bewijs waaruit blijkt dat hij daartoe zelfstandig bevoegd is, of een machtiging is overgelegd. Daarom is [gemachtigde] in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Bij aangetekende brief van 5 juli 2010 heeft het college - voor zover hier van belang - aan [gemachtigde] verzocht vóór 19 juli 2010 een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel of enig ander bewijs te overleggen waaruit blijkt dat [gemachtigde] zelfstandig bevoegd is namens [appellante] een bezwaarschrift in te dienen. Het college heeft in deze brief medegedeeld dat indien uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel of uit enig ander bewijs blijkt dat hij daartoe niet zelfstandig bevoegd is, [gemachtigde] aan het college tevens een machtiging dient te zenden waaruit blijkt dat hij als ondertekenaar van het bezwaarschrift gemachtigd is door degene(n) die blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel of enig ander bewijs bevoegd is om een bezwaarschrift in te dienen. Omdat binnen de gestelde termijn geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel of enig ander bewijs waaruit blijkt dat [gemachtigde] daartoe zelfstandig bevoegd is of een machtiging is ingediend, heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.3. [gemachtigde] betoogt dat hij zelfstandig bevoegd is om namens [appellante] een bezwaarschrift in te dienen. Hij stelt dat uit het door hem ingediende bezwaarschrift van 25 juni 2010 duidelijk naar voren komt dat hij de directeur is van [appellante] en dus in rechte het bedrijf vertegenwoordigt.
2.3.1. Naar het oordeel van de Afdeling bevat het door [appellante] ingediende bezwaarschrift geen enkel bewijs waaruit blijkt dat [gemachtigde] bevoegd is namens haar een bezwaarschrift in te dienen. De enkele mededeling dat [gemachtigde] directeur is van [appellante], is daartoe niet voldoende.
Deze beroepsgrond faalt.
2.4. [gemachtigde] betoogt dat hij vanwege vakantie pas op 27 juli 2010 kennis heeft kunnen nemen van de aangetekende brief van het college van 5 juli 2010. Daarnaast betoogt hij dat op de envelop van deze aangetekende brief niet vermeld stond dat deze direct geopend en gelezen diende te worden in verband met een spoedeisend verzoek om vóór 19 juli 2010 een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te overleggen.
2.4.1. In het door [gemachtigde] aangevoerde is geen rechtvaardiging te vinden voor het niet tijdig herstellen van het verzuim, waartoe het college [appellante] bij aangetekende brief van 5 juli 2010 de gelegenheid heeft geboden. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van [appellante] om tijdens vakantie zorg te dragen voor een adequate behandeling van aan haar gerichte post en de behartiging van haar belangen. Nu [appellante] heeft nagelaten dergelijke maatregelen op efficiënte wijze te treffen, dienen de hieruit voortvloeiende gevolgen voor haar rekening te worden gelaten.
Deze beroepsgrond faalt.
2.5. Gelet op het voorgaande heeft het college het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.6. Het beroep is ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.