ECLI:NL:RVS:2011:BQ6483
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid voortzetting vrijheidsontnemende maatregel gezin met minderjarige kinderen in DC Rotterdam
De zaak betreft een gezin met drie minderjarige kinderen dat na afwijzing van hun asielaanvragen werd geplaatst in het detentiecentrum (DC) Rotterdam. De vrijheidsontnemende maatregel duurde bijna vijf weken, inclusief ruim drie weken verblijf in DC Rotterdam. De rechtbank had geoordeeld dat deze voortzetting in strijd was met artikel 5 EVRM Pro vanwege de duur en onvoorzienbaarheid.
De minister stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen rekening had gehouden met het beleid waarin de belangen van gezinnen met minderjarige kinderen zijn afgewogen, en dat de duur van de vrijheidsontneming binnen de beleidsmatige termijnen viel. De Raad van State bevestigde dat het beleid, neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000, voorziet in een maximale duur van vier weken plus een mogelijke verlenging bij een verzoek om voorlopige voorziening, en dat dit beleid niet kennelijk onredelijk is.
De Afdeling oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was voortgezet, dat de verblijfomstandigheden in DC Rotterdam ondanks penitentiaire elementen passend waren, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een andere beoordeling rechtvaardigden. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel in DC Rotterdam voor het gezin met minderjarige kinderen is rechtmatig bevonden en het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard.