201102543/2/R2.
Datum uitspraak: 24 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
1. [verzoekster sub 1], gevestigd te Zeewolde,
2. [verzoeker sub 2A] en [verzoekster sub 2B], wonend te Zeewolde,
3. [verzoekster sub 3] en anderen, gevestigd te Zeewolde,
4. [verzoeker sub 4], wonend te Zeewolde,
5. [verzoeker sub 5A en [verzoekster sub 5B], wonend te Zeewolde,
verzoekers,
provinciale staten van Flevoland,
verweerders.
Bij besluit van 2 december 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Oostvaarderswold" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekster sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, [verzoekers sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, [verzoekster sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, [verzoeker sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, en [verzoekers sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, beroep ingesteld. Bij onderscheiden brieven, alle bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, hebben [verzoekster sub 1], [verzoekers sub 2], [verzoekster sub 3], [verzoeker sub 4] en [verzoekers sub 5] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 12 mei 2011, waar [verzoekster sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [verzoekers sub 2], [verzoekster sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [verzoeker sub 4] en [verzoekers sub 5], allen bijgestaan door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, en provinciale staten, vertegenwoordigd door drs. ing. J. van der Perk, J.P. van Damme, beiden werkzaam bij de provincie, en bijgestaan door mr. B.P.M. Ravels, advocaat te Breda, zijn verschenen.
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Met dit plan wordt de aanleg van een robuuste ecologische verbinding tussen de Oostvaardersplassen en het Horsterwold, het zogenoemde Oostvaarderswold, mogelijk gemaakt.
2.3. [verzoekster sub 1], [verzoekers sub 2], [verzoekster sub 3], [verzoeker sub 4] en [verzoekers sub 5], beogen met hun verzoek om voorlopige voorziening onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen. In dit verband voeren zij onder meer aan dat hun agrarische bedrijfsvoering, door de inrichting van de in het plan begrepen gronden met natuur, wordt beperkt en dat de uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd.
2.4. Ter zitting hebben provinciale staten verklaard dat op de gronden die bij [verzoekster sub 1], [verzoekers sub 2], [verzoekster sub 3], [verzoeker sub 4] en [verzoekers sub 5] in eigendom of gebruik zijn geen werkzaamheden zullen plaatsvinden ter uitvoering van het plan voordat het plan rechtens onaantastbaar is. In de tussentijd kunnen [verzoekster sub 1], [verzoekers sub 2], [verzoekster sub 3], [verzoeker sub 4] en [verzoekers sub 5] hun agrarische bedrijfsvoering, in ieder geval op grond van het overgangsrecht van het plan, voortzetten.
Niet gebleken is voorts dat de werkzaamheden die provinciale staten voornemens zijn te verrichten op andere gronden in het plangebied in dit opzicht beperkingen met zich mee brengen. De door [verzoekster sub 1] en [verzoekers sub 5] nog naar voren gebrachte beperkingen in verband met aanhouding van een subsidieaanvraag en het niet in behandeling nemen van bouwaanvragen, vloeien, naar ter zitting door provinciale staten is toegelicht en onbestreden is gebleven, niet voort uit de inwerkingtreding van het plan.
Onder deze omstandigheden heeft het in werking treden van het plan geen onomkeerbare gevolgen voordat in de bodemzaak zal zijn beslist. [verzoekster sub 1], [verzoekers sub 2], [verzoekster sub 3], [verzoeker sub 4] en [verzoekers sub 5] hebben daarom geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Binnema
Voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2011