Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2011:BQ6799

Raad van State

Datum uitspraak
1 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201009743/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2.1.3 sub a bestemmingsplan Leidsche Rijn ParkArt. 10 lid 3 bestemmingsplan Leidsche Rijn ParkArt. 3.6 WroArt. 3.22 WroArt. 3.23 Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bouwvergunning voor garage en overkapping in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft op 19 november 2008 een bouwvergunning geweigerd voor het bouwen van een garage en een overkapping op een perceel in Vleuten. Het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Park" stelt dat de gezamenlijke oppervlakte van bouwvergunningplichtige aan-, uit- en bijgebouwen maximaal 50 m2 mag zijn, met een mogelijke ontheffing tot 150 m2 indien de totale bebouwingsoppervlakte van het perceel minder dan 25% bedraagt.

De bouwplannen overschrijden deze maximale oppervlakte, waarbij het college constateerde dat de totale bebouwingsoppervlakte na realisatie meer dan 150 m2 zou bedragen. Het college weigerde daarom ontheffing en verleende ook geen projectbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de oppervlakte correct heeft berekend en dat het gelijkheidsbeginsel niet van toepassing is omdat een ander perceel een andere bestemming heeft. Ook is het college niet verplicht medewerking te verlenen op grond van persoonlijke omstandigheden van appellant. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de bouwvergunning wegens overschrijding van de toegestane oppervlakte volgens het bestemmingsplan.

Uitspraak

201009743/1/H1.
Datum uitspraak: 1 juni 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Vleuten, gemeente Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 augustus 2010 in zaken nrs. 09/2143 en 10/677 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2008 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning geweigerd voor het bouwen van een garage/schuur op het perceel [locatie 1] in Vleuten.
Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 3 november 2009 heeft het college aan [appellant] een tijdelijke bouwvergunning en ontheffing geweigerd voor een overkapping op het perceel [locatie 1] in Vleuten.
Bij besluit van 28 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar eveneens ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 augustus 2010, verzonden op 27 augustus 2010, heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 23 juni 2009 en 28 januari 2010 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De bouwplannen betreffen een garage met een oppervlakte van ca. 156 m2 en een overkapping, met een instandhoudingstermijn van maximaal twee jaar, met een oppervlakte van 100 m2.
2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Park", dat op 15 maart 2007 in werking is getreden, rust op het perceel de bestemming "Gemengd wonen, bestaand lint".
Ingevolge artikel 10 lid Pro 2.1.3 sub a van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van de bij het hoofdgebouw behorende bouwvergunningplichtige aan-, uit- en bijgebouwen niet meer bedragen dan 50 m2.
Ingevolge artikel 10, derde lid, kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2.1.3 sub a, tot een gezamenlijke oppervlakte van 150 m2 indien de totale bebouwingsoppervlakte van het perceel minder bedraagt dan 25%.
2.3. De bouwplannen voor de garage en de overkapping zijn beide in strijd met artikel 10 lid Pro 2.1.3 sub a van het bestemmingsplan, nu de oppervlakte daarvan de maximaal toegestane oppervlakte van 50 m2 aan bouwvergunningplichtige aan-, uit- en bijgebouwen overschrijdt. Het college heeft geweigerd ontheffing als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften te verlenen, omdat de gezamenlijke oppervlakte aan aan-, uit- en bijgebouwen na verwezenlijking van de bouwplannen meer dan 150 m2 bedraagt. Volgens het college bedraagt de totale bebouwingsoppervlakte van op het perceel reeds aanwezige aan-, uit- en bijgebouwen ca. 72 m2. Het college wenst evenmin ontheffing te verlenen op grond van de artikelen 3.22 of 3.23 van de Wro, dan wel een projectbesluit te nemen.
2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college een onjuiste berekening heeft gemaakt van het aantal vierkante meters aan bouwvergunningplichtige aan-, uit- en bijgebouwen op het perceel. Op het perceel zijn al twee bijgebouwen aanwezig, namelijk een bijgebouw met een oppervlakte van 26,60 m2 aan de achterzijde van de woning en een bijgebouw dat aan de noordzijde van het perceel is gelegen, met een oppervlakte van 34,56 m2. Daarnaast is aan de voorzijde van het hoofdgebouw een uitbouw van 10,78 m2 gerealiseerd.
2.5. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door voor [locatie 2] wel bouwvergunning te verlenen voor meer bijgebouwen. Nu voor dit perceel een andere bestemming geldt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.
2.6. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college, gelet op de omstandigheden van zijn geval, medewerking had moeten verlenen aan zijn bouwplannen.
2.6.1. Het betoog faalt. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat een ontheffing in de zin van artikel 3.6 van de Wro niet kan worden verleend. De rechtbank heeft verder op goede gronden geoordeeld dat aan de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 3.22 en 3.23 van de Wro niet is voldaan. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het geen projectbesluit wenst te nemen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd omtrent zijn privéomstandigheden en zijn behoefte aan opslagruimte heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college medewerking aan de bouwplannen behoorde te verlenen.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011
17-702.