ECLI:NL:RVS:2011:BQ7418

Raad van State

Datum uitspraak
30 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201105076/2/M2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • F.B. van der Maesen de Sombreff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8.10 Wet milieubeheerArt. 8.11 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering milieuvergunning pluimvee- en varkenshouderij nabij veterinaire onderzoeksinstelling

Het college van burgemeester en wethouders van Lelystad heeft op 21 maart 2011 een vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een pluimvee- en varkenshouderij aan een locatie te Lelystad, gelegen op minder dan 300 meter van het Central Veterinary Institute (CVI). Dit besluit is ter inzage gelegd en hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de Raad van State.

Verzoeker heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om vooruitlopend op de bodemprocedure toestemming te krijgen de inrichting te realiseren. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit verzoek behandeld op 25 mei 2011, waarbij partijen en het CVI als partij zijn gehoord.

De voorzitter overweegt dat het college terecht het risico van besmetting van de varkens heeft betrokken bij de vergunningverlening, vanwege de nabijheid van het CVI waar met virussen van besmettelijke dierziekten wordt gewerkt. Een isolatiezone van 3 km wordt als noodzakelijk geacht om besmetting te voorkomen.

Gezien het vergrote risico op uitbraak van besmettelijke dierziekten acht de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening te verstrekkend en wijst dit af. De vraag of het risico de weigering rechtvaardigt, zal in de bodemprocedure worden beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de milieuvergunning wordt afgewezen vanwege het risico op uitbraak van besmettelijke dierziekten.

Uitspraak

201105076/2/M2.
Datum uitspraak: 30 mei 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Lelystad,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2011 heeft het college aan [verzoeker] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een pluimvee- en varkenshouderij aan de [locatie] te Lelystad, geweigerd. Dit besluit is op 24 maart 2011 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 mei 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Aarts, advocaat te Amsterdam en ing. N. Bruins, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door
dr. A. Bouma, zijn verschenen. Voorts is ter zitting "Central Veterinary Institute", vertegenwoordigd door ing. D. Kuperus en dr. B.P.H. Peeters, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd wegens het gevaar van uitbraak van besmettelijke dierziekten. Het college wijst er op dat de inrichting is gesitueerd op minder dan 300 m van het "Central Veterinary Institute"(hierna: CVI), waar wordt gewerkt met virussen van besmettelijke dierziekten, waaronder het mond- en klauwzeervirus. Hierdoor bestaat een vergroot risico op besmetting van de varkens die in de inrichting waarvoor vergunning is gevraagd worden gehouden. Om het risico van een uitbraak van een besmettelijke ziekten te voorkomen moet volgens het college een isolatie- of beschermingszone van 3 km in acht worden genomen.
2.3. Naar het oordeel van de voorzitter heeft college terecht het risico van besmetting van de in de inrichting te houden varkens bij de beoordeling van de vergunningaanvraag betrokken. Besmetting van die varkens zou immers kunnen leiden tot besmetting van naburige bedrijven en tot schade aan de gezondheid van de mens. Het betreft aldus een nadelig gevolg die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, als bedoeld in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer alsmede het belang van de bescherming van het milieu, als bedoeld artikel 8.10, eerste lid.
2.4. De voorzitter overweegt dat door de situering van de inrichting op minder dan 300 m van het CVI het aannemelijk is dat een vergroot risico bestaat op besmetting van de varkens die in de inrichting worden gehouden en daarmee op een uitbraak van een besmettelijk virus. De vraag of dit risico weigering van de vergunning rechtvaardigt, behoeft nader onderzoek en zal daarom - in weerwil van het verzoek van [verzoeker] om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen - eerst in de bodemprocedure kunnen worden beantwoord. Het treffen van een voorlopige voorziening op grond waarvan [verzoeker], vooruitlopend op de uitspraak in de hoofdzaak, wordt toegestaan de inrichting op te richten en in werking te hebben is, mede gelet op voornoemd risico, te verstrekkend.
2.5. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.
w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff
Voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2011
190.