ECLI:NL:RVS:2011:BQ7452

Raad van State

Datum uitspraak
8 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201100183/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 5.2.3 planregelsArt. 8.2 lid 1 Wet ruimtelijke ordeningArt. 6:13 Algemene wet bestuursrechtArt. 6.1 Wet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verruiming bouwhoogte in bestemmingsplan bedrijventerreinen

De gemeenteraad van West Maas en Waal stelde bij besluit van 1 juli 2010 het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' vast, waarin onder meer de bouw van een bedrijfswoning op een perceel nabij de woning van appellant werd voorzien. Appellant betoogde dat de verruiming van de maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 naar 3,5 meter en 7 naar 8 meter zou leiden tot aantasting van zijn woongenot en vermindering van lichtinval.

De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat deze verruiming reeds met ontheffing mogelijk was onder het ontwerpplan en dat de afstand tussen de bedrijfswoning en de woning van appellant ongeveer 9 meter bedraagt, waardoor geen onaanvaardbare aantasting van woongenot of ernstige vermindering van lichtinval te verwachten is. Appellant had geen zienswijzen tegen het ontwerpplan ingebracht, waardoor de beoordeling beperkt bleef tot de wijzigingen bij vaststelling.

Verder wees de Afdeling erop dat eventuele planschade in een afzonderlijke procedure kan worden geclaimd. De Raad van State concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is voorbereid en genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan is ongegrond verklaard; de verruiming van de bouwhoogte is rechtmatig.

Uitspraak

201100183/1/R2.
Datum uitspraak: 8 juni 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Wamel, gemeente West Maas en Waal,
en
de raad van de gemeente West Maas en Waal,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2010, kenmerk 2010/07-13, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2011, beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door N.C.L. Straatman, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het plan voorziet, voor zover thans van belang, in de bouw van een bedrijfswoning op het perceel tussen [locatie 1] en [locatie 2] (hierna: het perceel). [appellant] woont op het perceel [locatie 2].
2.2. [appellant] richt zich tegen het plan, voor zover bij de vaststelling daarvan de maximale goot- en bouwhoogte ter plaatse van het perceel zijn verruimd van 3 naar 3,5 meter, onderscheidenlijk van 7 naar 8 meter.
Hij betoogt dat de verruiming van de maximale goot- en bouwhoogte leidt tot een aantasting van zijn woongenot en vermindering van lichtinval op zijn perceel. Voorts verzoekt [appellant] om planschadevergoeding.
2.2.1. Van een verslechtering van de woonomgeving ten gevolge van bedoelde verruiming zal volgens de raad geen sprake zijn, nu deze goot- en bouwhoogte reeds, met ontheffing, op grond van het ontwerpplan konden worden gerealiseerd. De ontheffingsregeling is niet langer in het plan opgenomen.
2.2.2. In de verbeelding is weergegeven dat aan het perceel de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijfswoning" zijn toegekend.
Ingevolge artikel 5, lid 5.2.3., aanhef en onder a, nummer 1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn bedrijfswoningen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning", met dien verstande dat de goot- en de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan is aangegeven en de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens 3 meter bedraagt.
In de verbeelding is weergegeven dat ter plaatse van het perceel de maximale goot- en bouwhoogte 3,5 respectievelijk 8 meter bedragen.
2.2.3. [appellant] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. Derhalve is de beoordeling, ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, beperkt tot de bij de vaststelling van het plan ten opzichte van het ontwerpplan aangebrachte wijzigingen. Nu de minimale toegestane afstand van bedrijfswoningen tot de zijdelingse perceelsgrens 3 meter bedraagt, zal de afstand tussen de in het plan voorziene bedrijfswoning en de woning van [appellant] ongeveer 9 meter bedragen. Gelet op deze afstand en de in het plan maximaal toegestane goot- en bouwhoogte, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verruiming van de bouw- en goothoogte ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerpplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woongenot van [appellant] en een ernstige vermindering van lichtinval op zijn perceel. Het betoog faalt.
De Afdeling overweegt verder dat in het geval [appellant] als gevolg van het plan schade lijdt die redelijkerwijs niet voor zijn rekening behoort te blijven, hij in een afzonderlijke procedure ingevolge artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een tegemoetkoming kan aanvragen. De beoordeling van een dergelijke aanvraag valt buiten het kader van de onderhavige procedure.
2.2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Het beroep is ongegrond.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.
w.g. Hagen w.g. Vogel-Carprieaux
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011
458-694.