ECLI:NL:RVS:2011:BQ7453

Raad van State

Datum uitspraak
8 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201100877/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 planregelsArt. 4.2 planregelsArt. 3.2.2 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling bestemmingsplan fietsbrug De Gagel te Utrecht

Bij besluit van 9 december 2010 stelde de raad van de gemeente Utrecht het bestemmingsplan 'Fietsbrug De Gagel' vast, dat voorziet in de aanleg van een voet- en fietsbrug over de Karl Marxdreef en de Gageldijk om het Noorderpark beter bereikbaar te maken vanuit Overvecht.

Appellant en anderen maakten bezwaar tegen het plan vanwege vermeende veiligheidsrisico's, zoals een verhoogd inbraakgevaar voor omliggende woningen, en een aantasting van hun privacy door het zicht vanaf de brug op hun perceel. De raad stelde echter dat de recreatieve belangen zwaarder wegen, dat er geen verhoogde kans op inbraak is, en dat de privacy niet wezenlijk wordt aangetast.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het aannemelijk is dat meer voetgangers en fietsers langs de woningen komen, maar dat dit niet automatisch leidt tot meer inbraak. Ook kan de inrichting van de brug een eenvoudige vluchtroute voor inbrekers voorkomen. Hoewel de brug zicht op de percelen biedt, is geen onaanvaardbare privacy-inbreuk aannemelijk gemaakt, mede door het behoud van volwassen bomen en maatregelen zoals gaaswerk met hoge verdichting.

De Afdeling concludeerde dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het plan bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening en dat het besluit niet in strijd is met het recht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan fietsbrug De Gagel is ongegrond verklaard.

Uitspraak

201100877/1/R2.
Datum uitspraak: 8 juni 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, wonend te Utrecht,
en
de raad van de gemeente Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietsbrug De Gagel" (hierna: het plan) vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2011, beroep ingesteld.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2011, waar [appellant] en anderen, in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door D. van Kuik, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot aanleg van een voet- en fietsbrug over de Karl Marxdreef - onderdeel van de Noordelijke Randweg Utrecht - en de Gageldijk, teneinde het Noorderpark vanuit de wijk Overvecht beter bereikbaar te maken.
2.2. [appellant] en anderen betogen dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met de veiligheid voor omliggende woningen. De aanleg van de naast hun perceel voorziene brug leidt tot een onveilige situatie vanwege inbraakgevaar. Verder tast de brug volgens [appellant] en anderen hun privacy aan vanwege zicht op hun perceel vanaf de brug.
2.3. De raad heeft bij de vaststelling van het plan de recreatieve belangen die worden gediend met de totstandkoming van de in het plan voorziene brug van overwegende betekenis geacht. De raad verwacht geen verhoogde kans op inbraak. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een wezenlijke aantasting van de privacy van [appellant] en anderen.
2.4. Het grootste deel van de gronden waarop de brug is voorzien heeft in het plan de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" en de aanduiding 'brug'. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met deze bestemming, voor zover hier van belang, bestemd voor verblijfsgebied voor langzaam verkeer en ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b, ter plaatse van de aanduiding 'brug' voor een fietsbrug. Ingevolge artikel 4.2, aanhef en onder b, van de planregels mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 11 meter. Een klein deel van de brug is voorzien aan de andere zijde van de Karl Marxdreef op gronden met de bestemming "Groen" en de aanduiding 'brug'. Ingevolge artikel 3.2.2, sub b onder 1, van de planregels mag ter plaatse van de aanduiding 'brug' de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 11 meter.
2.4.1. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad meer gewicht had moeten toekennen aan het belang van het voorkomen van inbraak in woningen in de directe omgeving van de fietsbrug. Weliswaar is aannemelijk dat als gevolg van het plan meer fietsers en voetgangers langs de woningen zullen komen, maar dat betekent niet bij voorbaat dat meer kans op inbraak ontstaat. Bovendien kan door de inrichting en de wijze van aanlanding van de brug worden voorkomen dat voor potentiële inbrekers een eenvoudige vluchtroute ontstaat.
Mede gelet op de maximale bouwhoogte van de brug die het plan mogelijk maakt, acht de Afdeling het aannemelijk dat fietsers en voetgangers vanaf de brug zicht hebben op het perceel van [appellant] en anderen en dat dit een nadelige invloed kan hebben op hun privacy. [appellant] en anderen hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare inbreuk op hun privacy. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat, indien mogelijk, aan beide zijden van de brug een rij bestaande volwassen bomen blijft gehandhaafd.
Voorts heeft de raad ter zitting verklaard dat bij de wijze van uitvoering van de brug rekening zal worden gehouden met de aspecten veiligheid en privacy door onder meer het aanbrengen van gaaswerk met een hoge verdichting.
2.4.2. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Broekman
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011
12-706.