ECLI:NL:RVS:2011:BQ7467

Raad van State

Datum uitspraak
8 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201010775/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.A. Offers
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 54 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen uitblijven reactie college over schutting

Appellanten verzochten het college om te controleren of de hoogte en plaatsing van een schutting voldeden aan de voorschriften en om repressief welstandtoezicht uit te oefenen. Het college reageerde met een rechtsoordeel dat de schutting voldeed aan de eisen. Appellanten maakten bezwaar tegen het uitblijven van een reactie, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

De Raad van State overweegt dat de brief van 10 september 2009 geen besluit bevatte, maar een verzoek om feitelijke handelingen en een rechtsoordeel. Dit is geen besluit waartegen rechtsmiddelen openstaan, tenzij het verkrijgen van dat rechtsoordeel via een andere weg onevenredig bezwarend is, wat hier niet het geval is.

De brief van 16 februari 2010 wordt gezien als een bezwaarschrift tegen het uitblijven van een reactie. De brief van 26 februari 2010 is een besluit op bezwaar dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaart en het verzoek om kostenvergoeding afwijst. De rechtbank had dit beroep niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond moeten verklaren.

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Het betaalde griffierecht wordt terugbetaald aan appellanten.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het college wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep gegrond verklaard waarbij de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

201010775/1/H1.
Datum uitspraak: 8 juni 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats], gemeente Menameradiel,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 november 2010 in zaak nr. 10/530 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel, thans gemeente Menameradiel.
1. Procesverloop
Bij brief van 10 september 2009 heeft [appellant] het college verzocht te controleren of de hoogte en de plaatsing van de schutting voldoen aan de toepasselijke voorschiften en voorts om repressief welstandtoezicht uit te oefenen met betrekking tot die schutting.
Bij brief van 16 februari 2010 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een reactie op de brief van 10 september 2009.
Bij brief van 23 februari 2010 heeft het college de gemachtigde van [appellant], voor zover hier van belang, bericht dat de schutting aan de voorschriften voldoet en niet in strijd is met redelijk eisen van welstand.
Bij brief van 26 februari 2010 heeft het college de gemachtigde van [appellant], voor zover hier van belang, meegedeeld dat tegen het uitblijven van een reactie op de brief van 10 september 2009 geen bezwaar kan worden gemaakt.
Bij uitspraak van 4 november 2010, verzonden op 4 november 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Faber, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de brief van 10 september 2009 een verzoek om een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat. Tevens betoogt hij dat de rechtbank er ten onrechte en ongemotiveerd aan voorbij is gegaan dat de reactie op zijn verzoek onredelijk lang is uitgebleven.
2.1.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juli 2002 in zaak nr.
200102665/1) is voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen zouden openstaan, indien een reëel besluit zou zijn genomen.
2.1.3. Het college hoefde de brief van 10 september 2009 niet op te vatten als een verzoek om een besluit te nemen, maar kon deze brief aanmerken als een verzoek tot het verrichten van feitelijke handelingen en een rechtsoordeel daaromtrent. De brief van 23 februari 2010 is een reactie op de brief van 10 september 2009 en bevat niet meer dan een mededeling omtrent onderzochte feiten en het gevraagde rechtsoordeel.
Een bestuurlijk rechtsoordeel is in beginsel geen besluit waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Dit is slechts anders indien het volgen van een andere weg om zodanig rechtsoordeel van het bestuur te verkrijgen voor de betrokkene onevenredig bezwarend is. In hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat die uitzondering zich hier voordoet. De ter zitting genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 november 2009 in zaak nr.
200902604/1/H1is in dit verband niet vergelijkbaar, aangezien in die zaak geen bestuurlijk rechtsoordeel aan de orde was, doch het uitblijven van een beslissing op een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen sprake is van een besluit waartegen rechtsmiddelen konden worden aangewend. Om die reden evenmin sprake van het uitblijven van een besluit. Het betoog faalt.
2.2. De aangevallen uitspraak kan echter om een andere reden niet in stand blijven. De brief van 16 februari 2010 moet worden opgevat als een bezwaarschrift tegen het uitblijven van een reactie op de brief van 10 september 2009. De brief van 26 februari 2010, inhoudend dat het indienen van bezwaar niet mogelijk is en dat er geen kostenvergoeding zal plaats vinden, dient daarom te worden aangemerkt als een besluit op bezwaar waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten worden afgewezen. Daartegen stond beroep open bij de rechtbank. De rechtbank had het beroep daarom niet niet-ontvankelijk, doch ongegrond moeten verklaren.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 februari 2010 van het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel, thans gemeente Menameradiel, alsnog ongegrond verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.5. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 november 2010 in zaak nr. 10/530;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond:
IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.
w.g. Offers w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011
17-712.