ECLI:NL:RVS:2011:BQ7476

Raad van State

Datum uitspraak
8 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201009841/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.A. Offers
  • R.J.R. Hazen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Wet op de rechtsbijstandArt. 15 Wet op de rechtsbijstandArt. 1 Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2009Art. 5 Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2009Art. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag toevoeging advocaat wegens overschrijding maximum aantal zaken

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een toevoeging, welke door het bestuur op 2 oktober 2009 werd afgewezen omdat de toenmalige advocaat het maximum aantal toevoegingen voor dat jaar had bereikt. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank Leeuwarden bevestigde dit oordeel in haar uitspraak van 2 september 2010.

Appellant stelde in hoger beroep dat het bestuur de gedragslijn omtrent wijziging van de tenaamstelling van de rechtsbijstandverlener niet correct had toegepast en onvoldoende had gemotiveerd waarom in zijn geval geen uitzondering werd gemaakt. De Raad van State oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het bestuur in vergelijkbare gevallen anders had gehandeld en dat de gedragslijn niet kennelijk onredelijk was toegepast.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot toevoeging wordt bevestigd.

Uitspraak

201009841/1/H2.
Datum uitspraak: 8 juni 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Groningen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 september 2010 in zaak nr. 10/393 in het geding tussen:
[appellant]
en
de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (thans het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: het bestuur).
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft het bestuur een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.
Bij besluit van 5 januari 2010 heeft het bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 november 2010.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 14 van Pro de Wet op de rechtsbijstand, voor zover thans van belang, worden alle in het ressort kantoor houdende advocaten die daartoe een aanvraag hebben ingediend, door het bestuur ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 bedoelde Pro voorwaarden.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen de door het bestuur te stellen voorwaarden betrekking hebben op het minimum en het maximum aantal zaken waarvoor een advocaat jaarlijks zal worden toegevoegd.
2.1.1. Ingevolge artikel 1, onder c, van de krachtens die bepalingen vastgestelde Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2009 krachtens de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Inschrijvingsvoorwaarden) dient de advocaat de zaken waarin hij is toegevoegd persoonlijk te behandelen dan wel de aan hem toebedeelde piketdiensten persoonlijk te verrichten, behoudens in incidentele gevallen waarin sprake is van overmacht of waarneming door anderen wegens ziekte of zwaarwegende redenen.
Ingevolge artikel 5, onder a, worden ter waarborging van de kwaliteit van de gefinancierde rechtsbijstand aan een advocaat jaarlijks niet meer toevoegingen afgegeven dan het equivalent van 250 eenheden.
2.2. Aan het besluit van 5 januari 2010, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de commissie voor bezwaar, heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat aan mr. B. van Dijk (hierna: Van Dijk), de toenmalige advocaat van [appellant], op grond van artikel 5, onder a, van de Inschrijvingsvoorwaarden terecht geen toevoeging is verstrekt, omdat hij op 1 oktober 2010 het maximum aantal zaken waarvoor hij in 2009 kon worden toegevoegd, had bereikt. Verder is in dat besluit vermeld dat geen wijziging van de tenaamstelling van de rechtsbijstandverlener kan plaatsvinden en dat een opvolgend raadsman gehouden is een nieuwe aanvraag om een toevoeging in te dienen.
2.3. Ter zitting van de rechtbank heeft het bestuur medegedeeld dat het in gevallen, waarin tussen het indienen en toewijzen van de aanvraag wordt verzocht de toevoeging op naam van een ander dan de aanvrager te verlenen, de vaste gedragslijn hanteert dat zodanig verzoek slechts wordt gehonoreerd bij ziekte of andere zwaarwegende redenen.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gedragslijn, die bij het bepaalde in artikel 1, onder c, van de Inschrijvingsvoorwaarden aansluit, binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft, dat van zwaarwegende redenen in de zin van de gedragslijn niet is gebleken en dat het bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opvolgend advocaat gehouden is een nieuwe aanvraag om een toevoeging in te dienen. Daartoe voert hij aan, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat het bestuur in de praktijk een ruimere toepassing aan de gedragslijn geeft en dat het onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval niet aan de vereisten van de gedragslijn is voldaan.
2.4.1. Dat betoogt faalt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestuur in andere gevallen, als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Inschrijvingsvoorwaarden, een toevoeging met wijziging van de tenaamstelling van de rechtsbijstandverlener heeft verleend. Verder is niet in geschil dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de door het bestuur gehanteerde gedragslijn niet kennelijk onredelijk is en niet is gebleken van een onjuiste toepassing ervan. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bestuur ten onrechte heeft geweigerd de aanvraag op naam van een ander dan Van Dijk toe te wijzen.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.
w.g. Offers w.g. Hazen
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011
452.