ECLI:NL:RVS:2011:BQ7767
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring vreemdeling wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom en ontbreken meer dan normale emotionele banden
De vreemdeling werd ongewenst verklaard door de staatssecretaris van Justitie en maakte bezwaar tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de bekering tot het christendom van de vreemdeling niet geloofwaardig is, omdat hij geen origineel doopbewijs kon tonen en niet in staat was eenvoudige vragen over het christendom toereikend te beantwoorden. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Iran een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
Daarnaast stelde de Raad vast dat er geen sprake is van meer dan normale emotionele banden tussen de vreemdeling en zijn zuster, mede omdat zij lange tijd gescheiden leefden, de vreemdeling illegaal verbleef en slechts af en toe bij haar verbleef. Hierdoor valt hun relatie niet onder de bescherming van artikel 8 EVRM Pro. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en het beroep van de vreemdeling ongegrond wegens ongeloofwaardige bekering en ontbreken van meer dan normale emotionele banden.