ECLI:NL:RVS:2011:BQ7867
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.W.M. Bijloos
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring gerechtvaardigd bij ontbreken identiteitspapier en vaste verblijfplaats
De vreemdeling werd op 1 februari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij niet beschikte over een identiteitspapier, geen vaste woon- of verblijfplaats had, zich niet had aangemeld bij de korpschef en geen middelen van bestaan had. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring met schadevergoeding.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State en betoogde dat de gronden voor bewaring voldoende waren en in lijn met de richtlijn 2008/115/EG. De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van identiteitspapier, vaste verblijfplaats en niet-naleving van de aanmeldplicht in beginsel voldoende grond zijn om aan te nemen dat de vreemdeling de terugkeer of verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
De vreemdeling bracht naar voren dat hij pas kort in Nederland was en door wilde reizen, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, waarbij het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond werd verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt gerechtvaardigd.