Uitspraak
200708211/1.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland stelde bij besluit van 28 september 2010 vast dat zich op een locatie in Groenlo een geval van ernstige bodemverontreiniging voordoet, waarvoor spoedige sanering noodzakelijk is. Tevens stemde het college in met een deelsaneringsplan voor deze locatie. Tegen deze besluiten hebben twee appellanten beroep ingesteld bij de Raad van State.
De appellanten voerden aan dat het college ten onrechte niet direct tot volledige sanering overging en dat het deelsaneringsplan onvoldoende bescherming biedt tegen verdere verspreiding van de verontreiniging. Ook werd betoogd dat sprake zou zijn van een nieuwe verontreiniging met tetrachlooretheen (PER), die direct gesaneerd had moeten worden.
De Raad van State oordeelde dat het college bevoegd was het saneringstijdstip binnen vier jaar vast te stellen, in overeenstemming met de Beleidsnota Bodem. Het college mocht instemmen met een deelsaneringsplan omdat het belang van bodemverontreiniging zich daar niet tegen verzet. Verder was onvoldoende gebleken dat de PER-verontreiniging een nieuwe verontreiniging betrof. Ook het onttrekkingsdebiet van 120 m3/dag in het saneringsplan voldeed aan de wettelijke eisen.
De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen het besluit tot vaststelling van ernstige bodemverontreiniging en instemming met het deelsaneringsplan worden ongegrond verklaard.